Kroonwiel

In W&O van 11 feb beschrijft Warna Oosterbaan een tandwieloverbrenging, waarbij rondselas en tanwielas een hoek met elkaar maken, doch waarbij het rondsel geen kegelvorm maar een cilindervorm heeft. Bij een rechte hoek wordt het kegeltandwiel dan een vlak kroonwiel. Al eerder (23 mei '91) beschreef hij dit, met een goede afbeelding van de tandvorm. Ook van Meccano is dit kroonwiel bekend, waarbij de tandvorm er vanzelf ingesleten wordt.

In beide artikelen schrijft hij dat de overbrengingsverhouding niet groter gemaakt kan worden dan 1:6. Bij de Rotterdamse tram wordt echter sinds 1948 bij alle tramrijtuigen 43/6 toegepast (dus 1:7,17) en sinds 1966 bij alle metro- en tramstellen 49/8 (dus 1:6,125). Bij de laatste is dat verschil inderdaad marginaal. Oosterbaan schrijft dat een kegelrondsel moeilijk te lageren is, maar daarvoor is in de vorm van een neuslager een oplossing voor gevonden.

Fabricagetechnisch wordt bij het vergroten van een kegeltandwiel het meer cilindrisch worden van het rondsel geen probleem, maar het snijden van het tandwiel wél. Bij het kroonwiel zal het vergroten van de diameter inderdaad geen probleem zijn, mits de machinegrootte dit niet in de weg staat. In de praktijk ligt echter meestal de maximum buitendiameter van het tandwiel vast - er is voor een groter tandwiel vaak geen plaats meer. Vergroting van de overbrenging betekent dan in de praktijk verkleining van het rondsel met zijn lagers en daarin ligt de eigenlijke beperking. Komt die niet van de tanden, dan ligt inderdaad het neuslager op het kritieke pad. Een cilindrisch rondsel met aan beide zijden een even groot rollager is dan in het voordeel. Om bij de tram te blijven zou dan bij een cilindrisch tandwiel, dat bovendien het voordeel heeft dat de tand over de hele breedte de maximaal mogelijke momentarm heeft, de maximale overbrenging ca. 9 zijn. Dat de RET de voorkeur gaf aan kegelwielen komt omdat deze geluidsarmer zijn dan cilindrische, ook als deze schuine vertanding hebben.

Bij het kroonwiel met dezelfde maximum buitendiameter is de effectieve diameter van het rondsel kleiner dan bij een cilindrisch tandwiel, wellicht even klein als bij het kegeltandwiel. De mogelijkheid voor een hogere overbrenging moet dan uitsluitend van de rondsellagers komen, waarbij de behuizing van het binenlager een probleem geeft. Ik schat dat men niet verder zal komen dan 8; maar dat is bij de huidige snellopende collectorloze draaistroommotoren toch een voordeel.

Ik ben erg benieuwd en wens de betrokkenen een succesvolle voortgang toe!