Kronkelwegen van de Delftse inventiviteit

H. Baudet. De lange weg naar de Technische Universiteit Delft. Twee delen: I. De Delftse ingenieursschool en haar voorgeschiedenis, II. Verantwoording, registers, tabellen, namenlijsten en bijlagen (in samenwerking met H.J.A. Duparc en J.H. Makkink). Uitg. Sdu Uitgeverij 1992/1993, 843 pag.

In 1829 schreef een commissie, bij Koninklijk Besluit van dat jaar ingesteld om het hoger onderwijs door te lichten, als antwoord op de vraag "of het goed ware eene of twee polytechnische scholen op te rigten?' het volgende. ""Het komt haar zeer twijfelachtig voor, of in ons land behoefte aan deze soort van scholen besta, en of men er de gewenschte vruchten van zoude plukken.'' De paar werktuigkundigen die het land nodig had konden wel in het buitenland opgeleid worden.

In 1984 kreeg "Nederland' zijn meest recente Nobelprijs, toegekend aan Simon van der Meer, Delftenaar en medewerker van CERN, in het buitenland dus. Veel was er toen veranderd, veel ook hetzelfde gebleven.

Voor verandering en bestendigheid, voor het wezenlijke en het bijkomstige heeft H. Baudet, die onlangs met de publikatie van het tweede deel zijn geschiedenis van de Delftse ingenieursschool voltooide, een goed oog. Het is in veel opzichten een mooi, ouderwets boek geworden. Alleen al zo'n tweede deel, met daarin ook de redevoeringen die tijdens de eeuwfeestviering in 1992 afgestoken werden, plaatst het boek in een traditie van zeker honderd jaar, waarbij een jubilerende universiteit iemand met een welversneden pen, bij voorkeur iemand uit eigen kring, zocht om de lotgevallen van de instelling te verhalen.

Maar het is ook een bij uitstek eigentijds boek, waarin die gedenkboek-traditie op een prachtige manier geroniseerd wordt met behulp van het niet-geschreven gedenkboek van 1942. Baudet schrijft een niet-geschreven boek en dat stelt hem in staat afstand te nemen van het herdenkingssyndroom. Dat niet alleen, het geeft hem ook de mogelijkheid het probleem van de continuteit in de Delftse geschiedenis aan de orde te stellen en die geschiedenis een merkwaardige dramatiek te verlenen.

Met die opleiding is het immers vreemd gelopen. In 1842 werd te Delft de Koninklijke Akademie ter vorming van burgerlijke ingenieurs in het leven geroepen, "zoo voor 's lands dienst als voor de nijverheid en van kweekelingen voor den handel'. Er werd dus een nadrukkelijk verband tussen handel en nijverheid gelegd, een combinatie die in 1864 ongedaan gemaakt werd, evenals de dienstbaarheid van de academie aan de voorbereidende opleiding van Indische ambtenaren, die er in 1842 aan toegevoegd was. Met de Polytechnische School die in 1864 werd opgericht, werd dus een geheel nieuw begin gemaakt, niet in de laatste plaats omdat die school met zoveel woorden behoorde tot het middelbaar onderwijs. In 1905 werd de Polytechnische School bevorderd tot Technische Hogeschool, in 1986 tot Technische Universiteit, stadia in een emancipatieproces vol moedwil en misverstand.

Markante breuken

Het is dus een geschiedenis met tamelijk markante breuken, door Baudet gedramatiseerd via markante persoonlijkheden. Het duidelijkst is dat gebeurd in zijn verhaal over de Tweede Wereldoorlog, een cruciaal verhaal voor elke universiteit maar zeker ook voor de Delftse school. Met de buitengewoon dappere rede van Frans van Hasselt op 23 november 1940 beet Delft de spits af in het massale studentenprotest tegen het ontslag van joodse docenten aan het hoger onderwijs. Ook telde het na de oorlog een relatief groot aantal omgekomen studenten. Hoe dan te verklaren dat juist Delft in 1943 het hoogste percentage tekenaars van de loyaliteitsverklaring kende? Dat kwam omdat de Delftse Senaat ondertekening ervan geadviseerd had.

Een van de hoogtepunten in dit boek is het verhaal van de Senaatsvergadering van 8 april 1943 die aarzelend richting ontrading ging totdat de volstrekt briljante natuurkundige E.C. Wiersma, omtrent wiens anti-nazisme geen twijfel mogelijk was, een gloedvol betoog vóór ondertekening hield. Ondertekening verplichtte immers tot niets, hield de studenten uit handen van de Duitsers en hoefde niemand ertoe te brengen onder te duiken en plaatsen in te nemen die andere onderduikers zoals joden broodnodig hadden. Men onderkent het huiveringwekkende van het moment: de aarzelaars, zij die hun verantwoordelijkheid wel kenden maar geen uitvlucht gevonden hadden, kregen die nu door een verzetsman op een presenteerblaadje aangereikt.

Zo is deze geschiedenis van de Delftse ingenieursschool in de eerste plaats het knap gecomponeerde verhaal van de grote mannen uit haar bestaan. Van de geestelijke vader ervan, Antoine Lipkens (1782-1847), polytechnicien, even rusteloos en inventief als koning Willem I, met wie hij een hechte band had, via G. Simons (1802-1868), wiskundige en astronoom, na Lipkens de tweede directeur van de Academie maar ook minister van Binnenlandse Zaken en in beide hoedanigheden van eminent belang voor de organisatie van de Akademie, via L. Cohen Stuart (1827-1878) ook wiskundige en geodeet en eerste hoogleraar directeur van de Polytechnische School en nog vele anderen tot aan C.J.D.M. Verhagen, rector in de woelige jaren 1967-1970.

Maar het is meer. Het is ook de kroniek van het technisch krediet, de boekstaving van de kronkelwegen die een van de mooiste uitingen van menselijk vernuft, de inventiviteit, het vermogen van de toepassing, moest bewandelen om onderkomen en bestendiging te krijgen. Baudet schetst die wegen vanaf het ontstaan van de "Nederduytsche Mathematique', het door Simon Stevin opgestelde programma voor een ingenieursschool aan de Leidse universiteit, tot aan de bloei van de technische wetenschappen aan drie technische universiteiten.

In de negentiende eeuw bleek de Nederlandse maatschappij de techniek alleen te slikken onder het aanlengen met handelswetenschappen, indologie of militaire kundes. Pas in 1864 kreeg ons land een echte polytechniek, maar dat was toch iets heel anders dan een universiteit. Naar de overtuiging van Thorbecke dienden twee gescheiden circuits in het leven geroepen te worden, het zogeheten geleerde onderwijs, onderverdeeld in gymnasium en universiteit, en het onderwijs voor "de talrijke burgerij' met HBS en Polytechnische School. "Geen afscheiding van standen', zoals hij het noemde, "maar verdeeling van arbeid'. In de praktijk was het waarschijnlijk beide.

Daar begint ook het enige bezwaar dat ik tegen dit boek heb: het is een beetje een school zonder leerlingen. Natuurlijk, er worden wel getallen gegeven en als er grote wrijving tussen professoren en studenten was wordt dat wel vermeld, maar van een omschrijving van de eigen studentensfeer is nauwelijks sprake, evenmin van een poging na te gaan uit welke sociale laag die studenten gerecruteerd werden. Dat soort zaken zijn van belang bij het omschrijven van de eigenaardige identiteit die Delft bezat.

DAF

Het belang van een boek als dat van Baudet staat buiten twijfel. De paar duizend ingenieurs die Delft, eerst alleen, later samen met Eindhoven en Twente, afleverde, hebben het aanzien van ons land ingrijpend gewijzigd. In de negentiende eeuw brachten ze via een spoorwegnet en een reeks van bruggen een infrastructuur van indrukwekkende omvang aan, in de twintigste eeuw leverden ze het potentieel dat van Nederland een industrieland zou maken en van de industriële sector een cruciale factor in een samenhangend economisch beleid.

Dat laatste staat, zo we de analyses van onze industrie naar aanleiding van de ondergang van DAF mogen geloven, wederom ter discussie. Ondanks de aanzienlijke bijdrage van de industrie aan ons nationaal inkomen, zijn we nog steeds een land van boeren en handelaars. Kousbroek heeft gelijk als hij stelt dat wetenschap en techniek Fremdkörper in onze beschaving zijn gebleven. Misschien dat het deficiet van DAF ons wederom dwingt tot iets dat we van nature niet geneigd zijn te doen: bewondering te hebben voor het gevoel voor precisie en kwaliteit dat aan de techniek ten grondslag ligt, het inzicht op te brengen, dat, om met Kousbroek te spreken, ""een technische uitvinding, hoe simpel ook, vele malen belangrijker is dan het vermogen om hele volkeren ertoe aan te zetten om bergen af te graven en dalen op te vullen''.