Juristen EG klagen nationale benoemingen bij EG met succes aan

BRUSSEL, 4 MAART. Dàt moet pijn hebben gedaan. Twee van haar eigen juridische adviseurs brachten de Europese Commissie gisteren een nederlaag toe voor het EG-Hof in Luxemburg. De rechter oordeelde dat een Duitse en Nederlandse EG-jurist ten onrechte een promotie was onthouden om "geografische redenen' - zij waren namelijk niet uit de politiek gewenste lidstaat afkomstig. De rechter annuleerde vervolgens de aanstelling van de Spanjaard en de Italiaan die wel waren benoemd. Daarbij werd voor het eerst vastgesteld dat de Commissie “niet het recht heeft om aanstellingen te reserveren voor personen uit bepaalde lidstaten”.

De uitspraak geeft een zeldzaam kijkje in de wereld van de "nationale stoelen' bij de EG. Bij topbenoemingen vindt in Brussel in het geheim een ingewikkeld spel van loven en bieden plaats. De meestal uit nationale ambtenaren samengestelde kabinetten van de Commissarissen en de diverse EG-ambassades letten scherp op dat de "eigen' lidstaat aan z'n trekken komt. “Een nauwkeurige boekhouding” van de herkomst van topambtenaren wordt steeds bijgehouden, zegt een EG-topambtenaar.

Het stafreglement van de Commissie biedt daarvoor ook ruimte. De Commissie mag bij de zogeheten A1 en A2 benoemingen rekening houden met herkomst. Zo kan voorkomen worden dat de top van bepaalde directoraten geheel door Duitse, Britse of Spaanse carriëre-ambtenaren worden gedomineerd. Ook verschaft dat nieuwe Commissarissen ruimte om politiek verwante topambtenaren aan te stellen en de "oude' te ontslaan. De Nederlanders Van Agt en Brinkhorst kwamen zo aan hun aanstelling. Tot lagere beleidsfuncties wordt men toegelaten na deelname aan een "concours', een toelatingsexamen, waarna door interne bevordering in ieder geval de A3-rang in bereik is. Daarboven verschijnen de "politieke' concurrenten op het toneel.

Bij de carriëre-ambtenaren bestaat voor dit systeem begrip, zolang de deur naar A1 en A2 niet helemaal dicht gegooid wordt. Dat was bij de directeur en directeur-generaal bij Visserij het geval geweest, zo oordeelden de EG-juristen R.C. Fischer en D. Booss, beiden onderlegd in het EG-visbeleid. Hun sollicitaties werden zo goed als genegeerd toen duidelijk werd dat de Spaanse Commissaris Marin een landgenoot en de Portugese Commissaris Cardoso E Cunha een Italiaan hadden benaderd. Geen van beide had echter vergelijkbare deskundigheid op visserijgebied met de twee EG-juristen. Voor de rechter gaf de Commissie toe "minder ideale' kandidaten te hebben benoemd uit "politieke realiteitszin', zonder de resultaten van de interne procedure te hebben afgewacht. Daarmee heeft de Commissie gezondigd tegen haar eigen reglement dat alleen geografische criteria toelaat als dat het "goede functioneren van de dienst' ten goede komt.