"Het slechte imago van de BKR nekt nu alle kunstenaars'

Hoe verdienen Nederlandse kunstenaars de kost op de krappe kunstmarkt? In het laatste deel van deze serie kritiek van de Nederlandse gemeenten op de plannen van Sociale Zaken om kunstenaars in de bijstand niet langer soepel te behandelen.

Dat kunstenaars in Nederland het vanwege een beperkte kunstmarkt moeilijk hebben, is niet langer de zorg van het ministerie van Sociale Zaken.

Daarmee komt een eind aan een periode van zeventig jaar dat er wel apart sociaal beleid voor kunstenaars werd gevoerd.

In de voorstellen voor de nieuwe Algemene Bijstandswet wordt de kunstenaar niet langer ontzien. Wie als bijstandsgerechtigde kunstenaar niet, net als iedere andere kleine zelfstandige, binnen een jaar van zijn kunst kan leven, moet solliciteren of zich omscholen. “Het verruimde begrip passende arbeid geldt ook voor hen,” zegt een woordvoerder van Sociale Zaken.

Er zijn momenteel duizenden kunstenaars in Nederland - schilders, musici, dansers, theatermakers, kortom scheppende en uitvoerende kunstenaars - die zich met behulp van de bijstand in leven houden. (In de vorige afleveringen van deze serie 'Kunstenaars en hun inkomsten' werden daarvan enkele voorbeelden gegeven.) Zij zullen in de problemen komen als de nieuwe, "aangescherpte' bijstandswet wordt aangenomen.

“Het probleem van de zes- tot achtduizend kunstenaars in de bijstand is niet opgelost met de meerjarige "basisbeurs' voor 1200 beeldende kunstenaars, die WVC en Sociale Zaken hebben ingesteld om kunstenaars die uit de bijstand moeten op te vangen,” zegt Cor Wijn van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Daarom heeft hij, in overleg met de gemeenten en de directeuren van sociale diensten (Divosa), een plan gemaakt dat volgens hem meer tegemoet komt aan de problemen van de kunstenaars die steunen op de bijstand.

Kunstenaars krijgen in het plan van de VNG drie tot vijf jaar de tijd om een zelfstandig bestaan op te bouwen. In die periode worden ze daarbij individueel begeleid. Hun inkomsten kunnen ze verrekenen met de bijstand. Wie na vijf jaar niet zelfstandig kunstenaar is of op een of andere manier (parttime) inkomsten heeft, moet ander werk zoeken.

In het VNG-plan mogen kunstenaars dus wel (vijf jaar) in de bijstand blijven, terwijl de minister van Sociale Zaken daar nu juist af wil. “Wij geloven niet in al die Haagse regeldrift,” aldus Wijn. “Wij zien dat die niet werkt. Met de uitvoering van de huidige bijstandswet hebben we al veel problemen, en we voorzien ze ook bij deze nieuwe wet weer. Wij pleiten voor een grotere autonomie van de gemeentes en hun sociale diensten. Ons plan is goed uitvoerbaar. Wij willen maatwerk voor iedere individuele kunstenaar. Ons plan heeft ook het voordeel dat we geen onderscheid maken tussen verschillende soorten kunstenaars, zoals WVC wel doet, die alleen voor die 1200 veelbelovende beeldende kunstenaars een basisbeurs creëert. Wat ons aan het voorstel voor de nieuwe bijstandswet ook niet bevalt is dat kunstenaars maar één jaar de kans krijgen een zelfstandige inkomenspositie te veroveren voor het beroep waarvoor ze zijn opgeleid. Dat is toch ridicuul, als je ziet hoeveel kunstenaars er van opleidingen komen, en als je weet dat de praktijk van de kunstmarkt heel anders is.”

De sociale-economische positie van kunstenaars is de Nederlandse gemeenten nog wèl een zorg. Dat is opmerkelijk omdat zij na de oorlog ook een van de belangrijkste krachten waren achter het opzetten van de beeldende kunstenaarsregeling (BKR), waarbij kunstenaars in ruil voor kunst een uitkering kregen, als ze niet voldoende verdienden op de vrije markt.

In zijn boek De BKR, kunst- of sociaal beleid beschrijft Roel Pots hoe na de oorlog de waardering bij gemeenten voor het kunstenaarsverzet groot was. Het ministerie van Sociale Zaken nam in 1949 het Amsterdamse steunmodel, gebaseerd op de steunregeling voor kleine zelfstandigen over, en beval die aan alle gemeenten aan. Zo onstond de beeldende kunstenaarsregeling, uniek in de wereld, die van een bescheiden regeling (0,3 miljoen gulden voor 142 kunstenaars in 1952) tot een enorm zorgenkind uitgroeide (130 miljoen gulden voor meer dan drieduizend kunstenaars in 1983).

In 1984 besloot de overheid de BKR geleidelijk af te schaffen. De regeling was te veel op de sociaal-economische zekerheid van kunstenaars, en te weinig op de kwaliteit van de kunst gericht, vond men - ook kunstenaars vonden dat. WVC kreeg 60 miljoen van het BKR-budget van Sociale Zaken. Een deel ging naar het nieuwe Fonds voor Beeldende Kunsten en een deel naar de lagere overheden, die daarmee hun eigen kunstbeleid mochten financieren.

De gemeentelijke sociale diensten kregen na 1988, toen de BKR definitief was afgeschaft, steeds meer te maken met kunstenaars die niet in hun levensonderhoud konden verzien. Verschillende gemeentes, zoals Haarlem, ontwikkelden een model, waarbij professionele kunstenaars niet hoefden te solliciteren, en hun inkomsten konden verrekenen met de sociale dienst. Musici en podiumkunstenaars hadden (in 1984 al) van Sociale Zaken toestemming gekregen om met behoud van uitkering te mogen repeteren en oefenen. Met name de subsidies van lagere overheden zijn op die praktijk afgestemd: er wordt dus zelden geld voor beloning van zulk werk gegeven.

Zo is de situatie ontstaan dat de bijstand voor een groot deel, zo niet het voor het merendeel, van de Nederlandse kunstenaars een belangrijke bron van inkomsten is, alle subsidies en kunstmarktverruimende maatregelen van WVC ten spijt.

In de strijd om de collectieve lastendruk in Nederland (en dus het beroep opde bijstand) omlaag te brengen, maakte Sociale Zaken vorig jaar korte metten met de soepele houding van verschillende gemeentes. Het zogenaamde 'Haarlemse model' werd verboden. “De bijstand is er niet om iemand te steunen in de uitoefening van een beroep waarmee hij de kost niet kan verdienen,” verwoordt een woordvoerder van Sociale Zaken het standpunt van zijn ministerie.

“Door de BKR hebben Nederlandse kunstenaars een enorm slecht imago gekregen,” zegt Kees de Valk, voorzitter van de afdeling beeldende kunst van de Kunstenbond FNV: “ Men heeft het idee dat ze al potverterend alleen maar kunst maken waar niemand om vraagt, die in kelders verdwijnt. Ook niet-beeldende kunstenaars hebben van dat slechte imago last,” zegt hij. Dat slechte imago vertaalt zich volgens hem nu in de houding van de overheid: kunstenaars die niet van de kunstmarkt kunnen leven presteren weinig dat van waarde is voor de samenleving en moeten ander werk zoeken. Hij vindt dat kunstenaars, ook de grote groep die niet van de vrije markt of subsidies leven kunnen, waarde hebben in de samenleving. “Ze geven gemeentes allure, ze hebben ideeën en organiseren manifestaties die door de burgerij gewaardeerd worden.” Die waardering moet ook in geld omgezet worden vindt hij, bij voorbeeld door in de bijstand de mogelijkheid te handhaven om, in moeilijke tijden, een beroep te kunnen doen op de bijstand als "vangnet' - iets dat de kunstenaarsorganisaties tot nu toe vergeefs bij Sociale Zaken bepleiten.

Zo resoluut als Sociale Zaken de bemoeienis met de kunstenaars nu beëindigt, zo aarzelend begon het sociaal beleid voor kunstenaars zeventig jaar geleden. In 1923 werd, voor het eerst in de vaderlandse geschiedenis, een bedrag van 25.000 gulden op de overheidsbegroting gezet om armlastige kunstenaars te steunen met opdrachten ter verfraaiïng van openbare gebouwen. Na een jaar sneuvelde die begrotingspost al weer - volgens minister-president Ruijs de Beerenbrouck omdat de overheid eigenlijk niet kon bepalen wie een kunstenaar van nationaal belang zou worden - daarover moest de tijd maar oordelen. Dat nam niet weg dat het begin van een speciaal sociaal beleid voor kunstenaars was gemaakt, dat zijn hoogtepunt vond in de BKR.

In feite was dat beleid een antwoord op de kritiek die al lang in Nederland leefde, dat de overheid te weinig oog had voor kunst. Al in 1873 schreef Victor E.L. Stuers een artikel in het literaire tijdschrift De Gids, getiteld Holland op zijn smalst. Dat beïnvloedde de publieke opinie in hoge mate. Stuers vond dat de overheid te weinig verantwoordelijkheid toonde ten aanzien van de kunst: “De onverschilligheid der reegering is hier te lande niet alleen een feit, maar een beginsel geweest. Hierin van alle beschaafde staten van Europa verschillend, heeft Nederland de leer gehuldigd dat kunst geen regeeringszaak is.”

Kunst is wel een regeringszaak, vindt het kabinet, maar blijkens de plannen voor de nieuwe bijstandswet voortaan uitsluitend van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en niet langer van Sociale Zaken. Of de nieuwe bijstandswet nog voor de Tweede Kamer-verkiezingen in mei '94 zal worden behandeld, is nog niet duidelijk.