Het derde aids-virus is onvindbaar en zal wel niet bestaan

Vorig jaar juli werd de internationale Aidsconferentie in Amsterdam overheerst door een artikel in het Amerikaanse tijdschrift Newsweek.

Dat beschreef een aantal mysterieuze patiënten met verschijnselen van aids. Bij die mensen kon zelfs met de meest geavanceerde technieken niet één van de aids veroorzakende virussen HIV-1 of HIV-2 worden aangetoond. Toch hadden de patiënten net als gewone aidspatiënten lage aantallen CD4+ lymfocyten - dat zijn de afweercellen die door HIV worden geïnfecteerd - en ze vertoonden allerlei ziekteverschijnselen die gewoonlijk bij aids voorkomen. Op de aidsconferentie zagen sommigen hierin een aanwijzing voor het bestaan van HIV-3, een derde, nog niet ontdekt, aids-virus. Medewerkers van de Amerikaanse Centers for Disease Control (CDC) hadden echter een andere mening: het ging om zulke geïsoleer- de gevallen dat er geen enkele reden was om aan een infectieuze oorzaak te denken. Anderen vonden dat onzin omdat er bij het begin van de aids-epidemie eerst ook maar melding werd gemaakt van een vijftal merkwaardige ziektegevallen onder homoseksuele mannen. Uiteindelijk werd er op de conferentie afgesproken dat het CDC een apart register zou opzetten voor alle patiënten met een idiopathische (onverklaarbare) CD4+-lymfopenie. Dat was in het vervolg de naam voor dit ziektebeeld. Door middel van dit register zou dan wellicht een gemeenschappelijke factor bij deze patiënten opgespoord kunnen worden en die zou de ziekte dan kunnen verklaren.

De gegevens over de patiënten zijn nu verzameld in The New England Journal of Medicine van 11 februari in vier artikelen en een tweetal ingezonden brieven. Daaruit blijkt duidelijk dat het ziektebeeld zeer zeldzaam voorkomt. Onder 230.179 gevallen van aids bleken er slechts 47 patiënten een CD4+-lymfopenie zonder enig teken van HIV-infectie te hebben. Ook controle op een verwant virus, het HTLV, leverde niets op. Er was geen duidelijke risicofactor te vinden. Bij minder dan de helft van de patiënten bestonden risicofactoren voor aids en er waren betrekkelijk veel vrouwen bij: 38% vergeleken met 11% onder geïnfecteerden met HIV. Aanwijzingen voor een infectieuze oorzaak waren er ook niet: het was niet zo dat de aandoening op een bepaalde plaats of bij een bepaalde levensstijl vaker voorkwam. De seksuele partners, huisgenoten en eventuele bloeddonoren waren gezond en die hadden verder een normaal aantal CD4+-lymfocyten.

Er is dus tot nu toe geen enkele aanwijzing voor het bestaan van de derde HIV-variant. In een commentaar benadrukt Anthony Fauci, de aids-coördinator van de Amerikaanse National Institutes of Health, dat CD4+-lymfopenie niet nieuw is. Sinds de invoering van de telling van CD4+-lymfocyten in 1983 zijn te lage aantallen van deze cellen al vaker gerapporteerd. Het aantal meldingen lijkt de laatste jaren wel geleidelijk op te lopen, maar dat zou volgens Fauci het gevolg zijn van de veel grootschaliger controle. De toename zou dus maar schijn zijn. Onduidelijk blijft overigens nog steeds wat dan wél de oorzaak (of: oorzaken) van de afweerstoornis van deze patiënten