Handel in dollarbananen niet vrij

Van de nieuwe EG-marktordening voor bananen is de consument de pisang. Dat is de strekking van de bijdrage van de VVD-Kamerleden F. Weisglas en P. Blauw in NRC Handelsblad van 20 februari. Terecht, zo constateren zij, heeft de bananenkwestie veel aandacht gekregen, omdat aan deze specifieke marktregeling een principiëlere discussie ten grondslag ligt: de vraag hoe "vrij' de handel in het algemeen eigenlijk moet of mag zijn.

Inderdaad wordt de invoer van bananen uit Midden- en Zuid-Amerika door het besluit van de Raad drastisch teruggebracht, namelijk van 2,54 miljoen ton nu tot 2 miljoen ton onder de nieuwe regeling. Maar daar staat tegenover dat de Latijns-amerikaanse landen de export van bananen naar de EG de afgelopen jaren fors hebben opgevoerd: tussen 1986 en 1988 bedroeg de export gemiddeld nog 1,4 miljoen ton. Daarbij moet worden bedacht dat de bananenproduktie en -handel in de Latijns-amerikaanse landen vrijwel volledig gecontroleerd wordt door drie grote Amerikaanse ondernemingen Standard Fruit (Chiquita), United Brands (Dole) en Del Monte, die hun produktie op plantages hebben ondergebracht die soms duizenden hectares groot zijn.

Voor de uitbreiding van de plantageteelt zijn de afgelopen jaren veel kleine boeren van hun grond verjaagd. Wanneer ze vervolgens op de plantages werk vinden, gebeurt dat veelal op basis van kortlopende, tijdelijke contracten en tegen lage lonen. Bovendien heeft de groei van de plantages in een aantal gevallen ecologische schade veroorzaakt: ontbossing van regenwoud, uitputting van de grond en een toename van het bestrijdingsmiddelengebruik. De Zuidamerikaanse kerken hebben herhaaldelijk de misstanden, schrijnende armoede en uitbuiting in de bananeneconomie veroordeeld. Zo de handel in dollarbananen al "vrij' genoemd kan worden, dan toch niet voor de direct betrokkenen en de prijs van die vrijheid is bovendien hoog.

Los van de vraag of het verstandig en wijs is de Europese akkerbouwers en het plattelandsmilieu aan een vrijhandelsbeleid te offeren, zien de VVD-Kamerleden over het hoofd dat een kwart van de in de EG geconsumeerde bananen in de EG zelf wordt geteeld, vooral door zelfstandige boeren op bedrijven kleiner dan vijf hectare. De economie van een aantal Griekse en Spaanse eilanden en overzeese Franse gebieden is in belangrijke mate van de bananenteelt afhankelijk. Dat de bananenproduktie hier duurder is, is niet verbazingwekkend als men bijvoorbeeld bedenkt dat het uurloon in het Franse Martinique en Guadeloupe (Frans minimumloon) zo'n vijftien maal hoger ligt dan in Honduras.

Ongeveer twintig procent van de in de EG geconsumeerde bananen is ten slotte afkomstig uit ACP-landen, de landen waar de EG een nauwe ontwikkelingsrelatie mee onderhoudt. Ook hier geldt, met name in het Caraïbisch gebied, dat de bananenproduktie van cruciaal economisch belang is; sommige landen zijn er voor meer dan 90 procent van hun inkomsten van afhankelijk. Tot de groep ACP-landen behoort het gros van de armste landen ter wereld; zou hun speciale bescherming op de EG-markt wegvallen, dan lijden ze een geschat verlies van zestig miljoen dollar per jaar. Het is daarom maar goed dat de EG in het lopende Lomé IV-Verdrag deze landen heeft toegezegd dat hun voordelen met betrekking tot markttoegang tot de EG zullen worden gehandhaafd. Het is niet alleen onredelijk, maar ook onrechtvaardig om deze rechten op te heffen.

Is het akkoord dat de EG nu over de bananenhandel heeft gesloten daarmee de best denkbare oplossing? De grootste zorg van het Nederlandse volk is de dreigende prijsverhoging van bananen in de Nederlandse winkel. Door sommigen wordt zelfs een prijsverdubbeling voorspeld. Of het zo'n vaart zal lopen is de vraag: in België zijn de bananen - ondanks een importheffing van twintig procent - vaak zelfs goedkoper dan in Duitsland, waar bananen heffingsvrij mogen binnenkomen.

Bepalend zou uiteindelijk moeten zijn hoe de prijs van het produkt tot stand komt: ontvangen arbeiders of boeren een redelijke prijs voor hun arbeid, voldoen de arbeidsomstandigheden aan internationale conventies en heeft de produktie op ecologisch duurzame wijze plaats? Na de UNCED zouden dergelijke argumenten toch wel een rol moeten spelen.