Dorrestijn: "Als ik niet oppas komen de tranen af'

Voorstelling: Na regen komt Dorrestijn, door Hans Dorrestijn. Regie: Fred Florusse. Gezien: 3/3 in de Schouwburg, Rijswijk.

De man op de bushalte, met de speelgoedeend onder zijn arm en de paraplu boven zijn hoofd, is Hans Dorrestijn. Op de geluidsband regent het onbedaarlijk. “Ik hoop dat de bus niet komt,” zegt hij. “Dan gaat de voorstelling niet door.” Hij praat nog wat verder over bussen die altijd op ongelegen momenten komen en het chagrijn van de bestuurders, kuiert uit zijn lichtspot weg, trekt zijn regenjas uit en glijdt bijna ongemerkt in de voorstelling die hij niet wilde spelen.

Pretpark, zijn vorige voorstelling, leunde danig op de komische tegenstelling tussen Hans Dorrestijn en de show-effecten die om hem heen waren opgetrokken. Toen dat nummertje voor de zoveelste keer werd herhaald, raakte ik erop uitgekeken. Nu, in Na regen komt Dorrestijn, komt de dichter-zanger weer tot inkeer. Maar intussen heeft die podium-ervaring hem kennelijk wel geleerd hoe hij het best tot zijn recht komt, want zijn nieuwe programma is allerminst een stap terug naar de sjofele tijden van de misantroop in spijkerbroek achter de aftandse piano's der jeugdhonken. Hij draagt een net colbert boven een nette broek, brengt in zijn voordracht precies de pauzes aan die doel treffen, en beweegt zich gedisciplineerd tussen de drie spots die de drie elementen van zijn optreden markeren: links zingend aan de piano, rechts voordragend en in het midden iets daar tussenin - soms een liedje bij de gitaar, soms een verhaaltje of een puntdicht en één keer een prachtig gedichtje met de weerkerende regel: “Als ik niet oppas / komen de tranen af.”

Het tragikomische verdriet van Dorrestijn is voorgoed ontstegen aan de particuliere tegenslagen, hoewel die daarvan onmiskenbaar de basis vormen. Alleen omdat hij blijkt te weten waar hij over praat, is hij in staat de depressiviteit een lachspiegel voor te houden. Bij ieder ander zou het een maniertje worden. Maar als hij de polder van Eemnes bezingt, schept hij in luttele woorden het droevigste oord ter wereld. Als hij de leugenachtigheid van natuurdocumentaires bespreekt, is dat meer dan een makkelijk grapje. En als hij een ode brengt aan nachtcafé De Catastrofe (“de wanhoop hangt in onze kleren”), is dat niet zomaar een koketterietje. Temidden van zoveel moois is het goed ook zijn beeldschone kinderdrama De eendjes terug te horen; het heeft nog niets van zijn schrijnende eenvoud verloren.

In de regie van Fred Florusse heeft dat repertoire de setting van een ingetogen recital gekregen, waarin ieder visueel accentje de sfeer versterkt en het trefzekere schrijfwerk van Dorrestijn - in tegenstelling tot de vorige keer - op eigen kracht kan glinsteren. Tot en met het allerlaatste beeld: weer die man op die halte en de bus is nog altijd niet gekomen.