De knal in de Oeral; Zhores Medvedev over een vergeten kernramp

In 1957 vond in de Oeral de op een à grootste kernramp plaats uit de geschiedenis. Zhores Medvedev achterhaalde twintig jaar later door inventief speurwerk de toedracht.

Door ongelukken en onzorgvuldige omgang met radioactief afval van een opwerkingsfabriek in de omgeving van de Russische stad Tjeljabinsk, in het zuiden van de Oeral, niet ver van Sverdlovsk, zijn in de periode tussen 1948 en 1967 honderdduizenden mensen besmet geraakt, meldde deze krant op 28 januari. Een gebied van duizenden vierkante kilometers was radioactief vervuild. De Russische regering had nu een schoonmaakplan voor de regio goedgekeurd en zou aan gezondheidszorg extra aandacht schenken. Het persbureau Reuters wist te melden dat het voor het eerst was dat de Russische regering ongelukken in een van de geheimste installaties van het land toegaf.

Dat was de enige aantoonbaar onjuiste zin in het bericht, dat overigens als voornaamste tekort had dat het de ongelukken niet in het juiste licht plaatste. Het betrof hier immers een van de meest geruchtmakende ongelukken met de militaire produktie van plutonium die Europa gekend heeft, een ongeluk waarover dertig jaar lang de wildste verhalen de ronde deden. Al sinds het voorjaar van 1958 ging het gerucht dat er een reusachtige kernramp in de Oeral had plaatsgevonden die honderden, zo niet duizenden het leven had gekost.

Vroege verwijzing

De vroegste - en achteraf bezien opvallend correcte - journalistieke verwijzing naar de ramp is te vinden in de Oostenrijkse krant Die Presse die op 18 maart 1959 melding maakt van een "catastrofaal ongeluk' in een nucleair complex in de centrale Oeral. Een kernfysicus, net uit de Sovjet-Unie teruggekeerd, had een arts gesproken die in Sverdlovsk slachtoffers van stralingsziekte had verpleegd. Er gold een reisverbod voor buitenlanders in de omgeving van Sverdlovsk en Tsjeljabinsk en twaalf dorpen en talrijke kolchozen waren geëvacueerd. Een gebied van 8000 km² was besmet.

Later is komen vast te staan dat de Amerikaanse CIA al in de zomer van 1958 op de hoogte was. De dienst had gesprekken geregistreerd van Sovjet-technici die de ramp bespraken in het Russische paviljoen op de Expo in Brussel. Bovendien vlogen U-2 spionagevliegtuigen in die tijd regelmatig over de Oeral waar men - terecht - een centrum van kernwapenproduktie vermoedde. Gary Powers werd in mei 1960 bij Sverdlovsk neergehaald.

Pas in december 1988 heeft Rusland "de ramp', die eigenlijk uit twee rampen bestaat, officieel toegegeven. Details kwamen in de zomer van 1989 toen ook Amerikaanse journalisten en energiedeskundigen een kort bezoek aan het getroffen gebied mochten brengen. De precieze oorzaak van het ongeluk is nog steeds onbekend.

Aan de ramp in de Oeral is onverbrekelijk de naam verbonden van de dissidente Sovjet-geleerde Zhores A. Medvedev, die sinds 1973 als banneling in Londen woont. Medvedev, tweelingbroer van de historicus Roy Medvedev, was de biochemicus/geneticus die het ongeluk onder de aandacht van de Westerse media bracht in een artikel geschreven op verzoek van New Scientist.

In "Two decades of dissidence' (4 november 1976) beschreef hij, onder meer, hoe een tragische catastrofe in de Oeral een belangrijke rol speelde in de definitieve afzetting van de beruchte en gezaghebbende bioloog Lysenko. Na de catastrofe, die Medvedev beschreef als een (conventionele) explosie in een opslagtank voor hoog-actief nucleair afval, was pijnlijk duidelijk geworden dat niemand in de Sovjet-Unie de genetische effecten van een hoge stralingsbelasting kon voorspellen omdat de genetica door Lysenko als bourgeois-wetenschap was afgeschaft.

Felle reacties

In West-Europa, dat toen net zwaar investeerde in kernenergie, riep het artikel van Medvedev heftige reacties op. Kernfysici van naam (Sir John Hill, hoofd van de United Kingdom Atomic Energy Authority, voorop), beducht dat het bericht de publieke afkeer van kernenergie zou vergroten, deden het artikel af als "science fiction' en "verzinsels', ja zelfs als een Russisch complot dat de introductie van kernenergie in het westen moest bemoeilijken.

Zo fel en vernederend waren de reacties dat Medvedev zich gedwongen zag het bestaan van de ramp aannemelijk te maken in twee aanvullende artikelen in New Scientist (30 juni en 10 november 1977). Maar ook die werden niet als bewijs geaccepteerd, al valt op dat de critici voorzichtiger werden in hun woordkeuze. Per slot had de naar Israel geëmigreerde fysicus Lev Tumerman, die het rampgebied in 1960 had doorkruist, via de Times een sinistere beschrijving van het ontvolkte landschap bij Kyshtym gegeven. Kyshtym was de plaats waarbij het militaire kernwapencomplex Mayak was gebouwd. De Britsetelevisie-maatschapij Granada bracht op 7 november 1977 nog meer naar Israel geëmigreerde getuigen op de televisie.

Een maand later werd bekend dat de CIA de Russische kernramp bevestigde, maar voor Medvedev was dat te weinig en te laat. Hij besloot in een wetenschappelijke analyse het definitieve bewijs voor de ramp te leveren. ""Ik hoefde mijn geheugen niet al te zeer in te spannen'', schrijft hij in zijn in 1979 verschenen boek Nuclear disaster in the Urals, ""want persoonlijke herinneringen zouden toch niet als objectieve bewijsgrond kunnen dienen.''

Medvedev besloot de ramp te reconstrueren uit "open' Sovjet-literatuur, uit wetenschappelijke publicaties op het gebied van radio-ecologie en stralingsgenetica die in het Westen (om precies te zijn: de British Library) vrij toegankelijk waren en zelfs op een IAEA-symposium in Wenen (1969) en een VN-conferentie in Genève (1971) behandeld waren.

In zekere zin was Medevedev ook de aangewezen persoon om zoiets te ondernemen,want hij was in de zomer van 1958 zelf aangezocht om de leiding op zich te nemen van een van de instituten die de effecten van de radioactieve besmetting op flora en fauna moest beschrijven. De Russen hadden van de nood een deugd gemaakt en een groot programma van "monitoring' opgesteld.

De verplichte geheimhouding had Medvedev doen weigeren, maar hij kende de onderzoekers die wèl aan het project deelnamen. Hij wist ruwweg waar en wanneer de ramp had plaatsgevonden, wat er was vrijgekomen en bovendien: hij wist hoe de Sovjet-censuur werkte en hoe ambitieuze Russische geleerden daarmee hadden leren omgaan. Dat ze wel waarnemingen weglieten of verzwegen, maar niet veranderden of verzonnen.

Veldexperiment

Zonder al te grote inspanning vond hij in Londense bibliotheken de artikelen van zijn vroegere collega's die de Oeral-ramp voor het buitenlandse publiek beschreven als een weloverwogen (maar natuurlijk kleinschalig en goed beheerst) veldexperiment dat de gevolgen van een industriële lozing moest nabootsen.

Op indrukwekkende wijze slaagde hij erin steeds meer van zulke beschrijvingen bijeen te brengen, zodat op den duur steeds duidelijker viel te bewijzen waar het ongeluk plaats had gevonden (tot zijn verrassing vond hij overigens een artikel dat de plaats Tsjeljabinsk met name noemt - foutje van de censuur) en welk soort materiaal werd verspreid: het opgewerkte afval van een plutonium-produktiereactor waaruit uranium, plutonium maar ook cesium-137 was verwijderd.

De totale omvang van de lozing schatte Medvedev op tientallen tot honderden miljoenen curie. Onduidelijk bleef voor hem hoe de explosie kon ontstaan. Misschien had lekkage van het hoog-actieve afval in de vochtige bodem een stoomexplosie doen ontstaan, dacht hij.

De meeste "veld-experimenten' waren, stelde hij vast, eind 1957 begonnen, al is er een onduidelijke groep die kennelijk later was "gestart'. Hij weet dit aan secundaire besmettingen - achteraf is komen vast te staan dat in 1967 een drooggevallen meer met radioactief afval door de wind werd leeggeblazen.

Nuclear disaster in the Urals is zonder voorbehoud een klassieker te noemen. Het briljante speurwerk vanachter de schrijftafel kent zijn weerga niet. Maar beweren dat het boek zich laat lezen als een spannende detective zou te ver gaan: daarvoor is Medvedev te uitputtend volledig en te beducht voor sensatie. Het is tamelijk taaie kost waarin Medvedev zich alleen laat gaan als hij John Hill opvoert. (De in 1980 verschenen Nederlandse vertaling Kernramp in de Oeral werd door Meulenhoff van een kaft voorzien dat het op één hoop gooide met science-fiction en inferno-lectuur. Dat moest natuurlijk: in maart 1979 had zich het ongeluk van Harrisburg voorgedaan.)

Amerikaanse bevestiging

Een interessant effect van de inspanningen van Medvedev is dat zijn methode werd overgenomen door onderzoekers van het beroemde Oak Ridge National Laboratory (destijds betrokken bij de ontwikkeling van de Amerikaanse atoombom en ook zelf getroffen door zware radioactieve vervuiling). Met nog meer middelen en mankracht heeft ook Oak Ridge de open Sovjet-literatuur doorgewerkt.

Men kwam daarbij onder meer op de aardige gedachte om oude topografische kaarten van de omgeving van Kyshtym met recente te vergelijken en inderdaad: er zijn talloze dorpen van de kaart verdwenen. De conclusies van Medvedev werden bevestigd en men voegde er speculaties over de aard van de explosie aan toe. De oorzaak zou een chemische reactie in het afval geweest kunnen zijn. (Science, 18 juli 1980)

In 1982 kwam ook nog Los Alamos National Laboratory met een analyse. Daarna werd het stil rond de Oeralramp. Westerse filmliefhebbers keken in de jaren na 1979 gefascineerd naar de film Stalker van de Russische cineast Tarkovsky die een bezoek aan een verboden "zone' (zoals ook Medvedev dat steeds noemt) in beeld bracht die kennelijk ook door een geheimzinnige ramp was getroffen.

Dan richt Tsjernobyl eind april 1986 opnieuw alle aandacht op het Sovjet-kernprogramma waarover de Russen, in het kader van hun "glasnost' opeens mededeelzamer worden. Ook het Tsjernobyl-ongeluk werd door Medvedev geanalyseerd (The legacy of Chernobyl, 1990) en bovendien zette hij zijn pogingen voort om meer helderheid te krijgen over de ramp in de Oeral (waarover de Russen hardnekkig blijven zwijgen). Het resultaat daarvan is in een apart hoofdstuk van The legacy beschreven.

In de loop van 1988 was Medvedev in de gelegenheid om de gedetailleerde satelliet-foto's van de Space Media Network in Stockholm te vergelijken met topografische kaarten van de omgeving van Kyshtym uit 1957. De veranderingen in het terrein zijn spectaculair: er blijkt een reusachtig meer te zijn aangelegd dat kennelijk weer wordt dichtgestort en afgedekt. Toen Space Media Network tegen het eind van 1988 daarover een film uitbracht, was dat voor de Russen kennelijk het signaal eindelijk opening van zaken te geven. Begin december van dat jaar bevestigde een Russische kernfysicus de ramp voor een gehoor van pro-kernenergie industriëlen in Tokio. Het was een doorbraak die de Westerse media ontging (Alleen het vakblad Nucleonics Week signaleerde het op 8 december 1988)

Het korte verslag (acht velletjes A4) van de Kyshtym-ramp dat het IAEA in juni 1989 ontving, geeft maar weinig technische bijzonderheden. Het ongeluk deed zich voor op 29 september 1957 en blijkt te zijn veroorzaakt door het uitvallen van de koeling waardoor zich "in het nitraat en acetaat-houdende afval een chemische explosie voordeed'.

In totaal zou 2 miljoen curie zijn vrijgekomen. Tienduizend mensen waren geëvacueerd, maar opvallende effecten op de volksgezondheid had de ramp niet gehad. (Later is het getal van de lozing opgevoerd tot 20 miljoen curie, ongeveer de helft van wat bij Tsjernobyl vrijkwam, en berichtte het Instituut voor Biofysica in Tsjeljabinsk dat meer dan achtduizend mensen in de jaren na '57 het leven hadden verloren).

Roestig autootje

Een bezoek aan Medvedev levert een teleurstelling op. Nog steeds woont hij in het bescheiden Noord-Londense huisje waarin hij door deze krant in december 1986 werd geinterviewd toen zijn vriend Sacharov was vrijgelaten. Inmiddels is ook een roestig autootje in de krappe voortuin terecht gekomen en zijn de boeken zo hoog tegen de muren opgetast dat Medvedev af en toe even in de stoel van het bezoek moet klimmen om de gevraagde documentatie te kunnen aanreiken.

Maar zijn afkeer van opsmuk en sensatie is bijna tastbaar. Dat nu volgens de laaste berichten bijna een half miljoen mensen door de "Kyshtym-ramp' besmet blijken te zijn, doet hij schouderophalend af. Zo te horen heeft eerder de aard dan de omvang van de ramp hem al die jaren bezig gehouden. ""De inwoners van het district Tjeljabinsk beseffen dat de mensen die door de fall-out van Tsjernobyl werden getroffen een financiële compensatie kregen van de overheid. De limiet lag op een radioactive besmetting van 1 curie per km² en binnen die grens blijken nu 450.000 mensen in de Oeral te wonen.''

Toch volgt hij de ontwikkelingen op de voet. Op zijn bureau ligt een artikel uit een Russische krant van 27 januari waarin het verslag staat van een journalist die het oospronkelijke rapport van de Mayak-bedrijfsleiding aan het Centraal Comité en het Politbureau heeft gevonden. Opslagtank 14 met een inhoud van 250 m³ was ontploft. ""Nieuw voor mij was,'' zegt Medvedev, ""dat er in Kyshtym in 1957 nog gevangenkampen waren. Kennelijk heeft men de gevangenen het gevaarlijke werk laten doen.''

De held is een beetje moe geworden. Hij gaat zich niet opnieuw opwinden over de nimmer herroepen aantijgingen van Sir John Hill en de onverhulde vijandigheid van Edward Teller (de "vader' van de Amerikaanse waterstofbom),die tijdens zijn bezoek aan Los Alamos in 1978 suggereerde dat hij voor de KGB werkte. Hoogstens zou hij nog willen weten wie nu precies in 1979 het verschijnen van zijn boek in Frankrijk heeft verhinderd (""de vertaling was al klaar''), en wie het in Engeland zo lang kon tegenhouden.

Dat het Oeral-boek niet in Rusland werd uitgegeven kan hij wel begrijpen. ""Toen de glasnost er kwam ben ik wel benaderd, maar het is er nooit meer van gekomen.'' Toch zijn zijn Londense activiteiten niet onopgemerkt gebleven. ""In 1989 kreeg ik mijn paspoort terug, ik heb nu een dual citizenship, en ben op uitnodiging naar Tsjeljabinsk gekomen. Ook Tsjernobyl heb ik vele malen bezocht, en ik word regelmatig uitgenodigd voor symposia in de Oeral. Maar je moet altijd zelf je reis- en verblijfkosten betalen en daar heb ik geen geld voor, al heb ik, sinds kort, ook een klein Russisch pensioentje.

Uit een met verschoten rood linnen beplakte doos, waarin hij de meeste Kyshtym-knipsels bewaart, haalt Medvedev de CIA-informatie tevoorschijn die hij destijds, na lang soebatten, in het kader van de Freedom of Information Act kreeg toegezonden: slechte fotokopieën waarop veel interessants onleesbaar is gemaakt. ""Ik hoefde er niet voor te betalen'', zegt hij glimlachend. ""Ik heb na 1979 nog regelmatig om méér gevraagd maar nooit meer wat ontvangen.'' De laatste CIA-correspondentie is van 1984.

Medvedev zit ook duidelijk niet op nog meer nucleair onheil uit Rusland te wachten. Van de door Greenpeace aangekaarte grootschalige dumpingen van kernafval in de Kara-zee zegt hij niets te weten. Zelf is Medvedev geen tegenstander meer van kernenergie, hoewel de talrijke anti-kernenergie en ban-de-bom stickers en speldjes in zijn studeerkamer nog een ander taal spreken. ""De volgende generatie reactoren is tamelijk schoon. De bevolking van Tsjeljabinsk verzet zich ook niet langer meer tegen de voltooiing van de snelle kweekreactoren die bij Kyshtym in aanbouw zijn. Vorige winter vielen de oliegestookte centrales uit, toen was het erg koud, en de stookolie wordt steeds schaarser. Men verwarmt elektrisch in Rusland.''

""Die film van Tarkovsky, dat was een vreemde film. Ik denk niet dat het iets met Kyshtym te maken had. Tarkovsky was meer gegrepen door industriële vervuiling in het algemeen, geloof ik. Maar het was een mooie film, ja.''