Communokapitalisme

"Wanneer China ontwaakt, zal de wereld op zijn grondvesten schudden.' De waarschuwing komt van Napoleon.

Vandaag de dag is China in hoog tempo aan het wakker worden. Een economische expansie heeft plaats zoals de wereld nog niet heeft meegemaakt. Twee jaar na Mao's dood liet de nieuwe leider Deng Xiaoping in 1978 op het elfde Partijcongres de wekker aflopen. In de veertien jaar nadien is de economie reëel, dus gecorrigeerd voor prijsstijgingen, elk jaar met gemiddeld 9 procent gegroeid. Verleden jaar was het zelfs 12 procent, met als uitschieter de naast Hongkong gelegen succesprovincie Guangdong die een groei van 30 procent liet zien.

In de afgelopen jaren heeft de wereld zich terecht verontwaardigd van China afgekeerd als reactie op de gewelddadige manier waarop de Chinese autoriteiten op 4 juni 1989 op het Tiananmenplein een protest van studenten en arbeiders neersloegen. Inmiddels wordt er weer gewoon zaken gedaan en we kunnen vaststellen dat ze in China niet stil hebben gezeten.

Waarom lijkt in China te lukken wat in de voormalige Sovjet-Unie helemaal is misgelopen? Deng heeft daar een eenvoudig antwoord op. De Sovjet-Unie is aan de verkeerde kant begonnen. Je moet bij zo'n gigantische herstructurering eerst de economie hervormen en dan pas het politieke systeem aanpassen. In China is de Communistische Partij nog tot in de kleinste uithoek van de maatschappij aanwezig. Een partij die maar één zorg heeft: aan de macht blijven. Wat alleen mogelijk is door de levensstandaard van de bevolking te verbeteren en door het leger tevreden te houden.

Bijzonder is dat zo'n autoritaire partij zich daarbij in de praktijk steeds meer bedient van kapitalistische produktiemethoden. In theorie wordt - ook nog op het 14e Partijcongres verleden jaar oktober - lippendienst bewezen aan het erfgoed van Marx, Lenin en Mao. In de praktijk gaat het om vraag en aanbod, markten, marktprijzen, materiële prikkels, winst, exportbevordering, buitenlandse investeringen. Deng en de zijnen zijn ervan overtuigd dat een socialistische staat een markteconomie kan krijgen zonder het risico te lopen kapitalistisch te worden. Op een dag moet het toch in de Communistische Partij doordringen dat haar socialisme wel heel sterke kapitalistische trekken vertoont.

Deng is aan het eind van de jaren zeventig onder meer begonnen met de landbouw te bevrijden van het verstikkende commune-systeem. Zo'n 700.000 communes zijn vervangen door 190 miljoen familiebedrijven. Voor voedingsmiddelen werd een markteconomie ingevoerd met vrije prijzen. Het resultaat was een enorme toename van de produktie en van de produktiviteit. In de landbouwsector ontstond een surplus van spaargelden dat kon worden gebruikt om de industrialisatie op gang te helpen.

In tegenstelling tot wat in die situatie vaak is gedaan, bij voorbeeld door Stalin, is dit surplus niet met geweld door de overheid afgepakt. Het werd voor de boeren interessant gemaakt hun spaargeld in de plattelandsindustrie te steken. Daar konden tegelijkertijd de mensen aan het werk die door de stijgende produktiviteit in de landbouw overbodig werden.

De lokale ondernemingen (township and village enterprises, TVES) die hierbij als paddestoelen uit de grond rezen, vormen de ruggegraat van het Chinese wonder. De jaarproduktie van deze ondernemingen groeit al tien jaar met 30 procent. Eigenaren zijn de lokale autoriteiten en particulieren. De ondernemingen concurreren hevig met elkaar en ook op de wereldmarkt. Van regulering is nauwelijks sprake. Alleen winst telt, ook voor de lokale bureaucraten. In 1978 waren er anderhalf miljoen particuliere industriële ondernemingen die werk verschaften aan 28 miljoen werknemers. In 1991 waren het er 19 miljoen, met 96 miljoen werknemers.

Staatsbedrijven hoeven niet te worden geprivatiseerd. Ze worden meedogenloos links en rechts ingehaald door de TVES en van de markt gevaagd. In 1978 verzorgden staatsbedrijven nog 78 procent van de industriële produktie, nu is dat iets meer dan 50 procent en de verwachting is dat ze rond de eeuwwisseling nog maar een kwart voor hun rekening nemen.

Een van de gevolgen is dat provincies en gemeenten steeds meer macht krijgen. Niet in de laatste plaats omdat ze zo weinig mogelijk van de lokaal geïnde belastingen aan het centraal gezag afdragen.

De komende vijf tot tien jaar bereiken grote delen van de Chinese bevolking de inkomensgrens waarboven men zich allerlei consumptiegoederen kan veroorloven. Massaal storten ze zich op bromfiets, koelkast, tv, wasmachine, stereotoren, auto, enzoverder. Op dit ogenblik al kan het aanbod de vraag niet bijbenen. De Chinese economie is oververhit en er ontstaat opnieuw een golf van prijsstijgingen. De laatste prijsexplosie vond in '87-'88 plaats. Toen gingen de mensen uit paniek hamsteren waardoor de tekorten nog sterker toenamen en de prijsinflatie werd verscherpt. De Chinese autoriteiten ontbreekt het aan een uitgebalanceerd monetair instrumentarium om de economie geleidelijk af te remmen. De hardhandige bestedingsbeperking van 1988 heeft bijgedragen aan de grote ontevredenheid van de bevolking die op zijn beurt het studentenprotest van voorjaar '89 steunde. Kenners maken zich grote zorgen over de manier waarop de huidige overbesteding zal worden ingedamd.