Calvinisme bezint zich niet meer op zijn uitgangspunten

De rechtzinnige EO-aanhangers vormen hooguit enkele procenten van de bevolking. Bij de Evangelische Omroep bedenke men, dat deze ook gesteund wordt door andersdenkenden, zoals J.L. Heldring op 2 februari terecht stelt. Bovendien is het overgrote deel tientjeslid en zijn er zeer veel gezinsleden bij. Van de studenten is hooguit 1 procent lid van de International Fellowship of Evangelical Students, afdeling Nederland, waarbij evangelische en calvinistische groepen beide aangesloten zijn.

Politiek gezien is de SGP-richting bijna stabiel gebleven sinds de jaren dertig met twee procent. ARP en CHU hadden vroeger 20-25 procent van de zetels, zeg 20 procent, want niet alle CHU-ers waren rechtzinnig. Thans hebben GPV en RPF 3 zetels, dus twee procent, een tiende deel van vroeger. De orthodox-protestantse kiezers van het CDA vormen een kleine minderheid, die snel verder afkalft, vooral bij jongeren.

Voor de Gereformeerde Kerken in Nederland wijst de godsdienstsocioloog G. Dekker in zijn boek De stille revolutie (1992) op de grote daling van het ledental en hij voorspelt nog een daling van enkele honderdduizenden (Trouw 23-4-1992). De Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk vertoont weinig leven en dreigt, mede dank zij de groep van het Open Boek, het orthodoxe karakter te verliezen.

Zo blijft er bij nader onderzoek niet zo veel over van het voorheen zo grote en sterke calvinisme. Een extra indicatie geven het christelijk onderwijs en de christelijk-sociale groepen. Op onderwijsgebied gaf de Besturenraad protestants-christelijk onderwijs in 1992 de Nota Niet bij kennis alleen uit, waarin van positief, bijbels christendom vrijwel geen spoor te vinden is. Op sociaal gebied is de verscheidenheid en de vaagheid zo mogelijk nog groter. Het Basisdocument Bedreigde Verantwoordelijkheid van 1990 voor het christelijk-sociaal congres 1991 is puur humanisme met wat "evangelische noties' als solidariteit en verantwoordelijkheid zonder enige band met het christelijk geloof. Het zelfde geldt vrijwel voor het congres zelf. Niemand ontkent, dat er in christelijke organisaties, ook in het CDA, rechtzinnige christenen werken, maar zij weten daarop geen stempel te drukken.

Daarbij komt, dat de evangelischen evenals de jongere nazaten der calvinisten geen besef meer hebben van de betekenis van de christelijke leer voor de kerk (“de leer, die afweert en beschut”, Willem de Mérode) en voor de samenleving. Daardoor resten alleen vage "evangelische noties' zonder verband met de bron en zonder constructieve waarde in het leven. De calvinist Francis Schaeffer (met C.S. Lewis en Billy Graham de bekendste christelijke leiders) schreef daarom zijn boek The great evangelical disaster (1984): biblicisme en individualisme ontnemen het evangelie zijn kracht. Daaraan gaat de historicus R. Kuiper in zijn artikel van 27 januari op de opiniepagina over “de verrassende persistentie in het orthodoxe protestantisme” volledig voorbij.

Het is merkwaardig, dat wel liberalisme en socialisme zich bezinnen op hun uitgangspunten en positie, het katholicisme minder en het calvinisme vrijwel niet. Misschien is dat een deel van de verklaring van de zeer diepe malaise.