Cafés waar literatuurgeschiedenis werd geschreven; Dorst en welbehagen in de schone letteren

Aanstaande woensdag begint de nationale boekenweek. Tien dagen signeersessies, voorleesbeurten, schrijversportretten en interviews staan ons te wachten. Maar wat als de drukte weer is geluwd en alle exemplaren van het boekenweekgeschenk van W.F. Hermans zijn vergeven? Waar kunnen we onze literatoren dan nog ontmoeten? In het "zuiver' literaire café. Niet het café dat zich als zodanig afficheert, maar het café waar een aantal kunstenaars hun stempel op drukt, op bepaalde dagen en uren.

Schrijvers gaan in hun vrije tijd bij voorkeur naar cafés die niet als "literair' worden bestempeld. Neem het "literair café' van de Amsterdamse vestiging van De Bijenkorf, dat zich op de bovenste verdieping pal tegenover de boekenafdeling bevindt. Daar hangen wat foto's van schrijvers - Mulisch, Minco, Van Kooten - en er is een leestafel. Geen auteur zou zich hier vrijwillig wagen. Maar vlak bij het warenhuis, aan de Nieuwezijds Voorburgwal, is een café waar sinds jaar en dag op de eerste zaterdag van de maand beoefenaars en aanhangers van het surrealisme bijeenkomen. De groep is door anciënniteit langzamerhand uitgedund, maar nog altijd kan men elke maand hier de dichters Hendrik de Vries en Louis Th. Lehmann, de fotograaf Emile van Moerkerken en de schilder Willem Wagenaar aan de ronde tafel zien zitten.

Niemand in dit studentencafé die zich iets van de illustere achtergrond van dit gezelschap bewust is. En dat houden de kunstenaars ook graag zo. Op een steenworp afstand van het surrealistencafé staat het etablissement De Poort van Cleve. Daar kwamen meer dan een eeuw geleden vrijwel dagelijks de dichters van Tachtig om geestverwante kunstenaars te ontmoeten. In Vervlogen jaren (Privé-domein, 1989) haalt Tachtiger Frans Erens herinneringen op aan het lokaal. “Het was in 1889 en 1890 dat wij bijna iedere avond in de Poort van Cleve kwamen, waar het na negenen gewoonlijk leeg was, zo tenminste dat er op die latere uren ruimschoots plaats was te krijgen. Breitner, Witsen, Aletrino, Isaac Israëls, Kloos, Diepenbrock, Jan Veth, Karsen, Boeken, ik meen ook Van Deventer, Van Looy ontmoette ik er vaak. Boeken schreef daar menige bladzijde wanneer de bezoekers nog niet waren gearriveerd. Wij zorgden gewoonlijk een goed tafeltje machtig te worden tegen de muur of in een hoek en de conversatie steeg nu en dan tot luidruchtigheid, waarin zij echter alleen verviel ten gevolge van een humor van goeden huize.” De dichter J. Greshoff zette - onder het pseudoniem Otto P. Reys - zijn herinneringen aan cafés waar dichters van een latere generatie elkaar ontmoetten op papier. In Dichters in het koffijhuis uit 1925 behandelt hij achtereenvolgens café Mercur te Leipzig, de Rotonde en Les Deux Magots in Parijs, uiteenlopende ontmoetingsplaatsen in Brussel en Italië, l'Espérance in Den Haag, De Rustende Jager in Bergen. “In Arnhem - hoe is het mogelijk? - heb ik een "litterair café' gevonden dat mij wonderwel beviel”, schrijft de auteur lyrisch over de "Bock-halle'. In het hoofdstukje over De Rustende Jager bevindt Reys/Greshoff zich niet alleen in het gezelschap van de Bergense dichter A. Roland Holst (die later in het Huis met de Pilaren domicilie zou kiezen), maar ook in dat van de "broederen' P.N. van Eyck, H.W.J.M. Keuls, J.W.F Werumeus Buning, J.C. Bloem en... J. Greshoff. Zij vonden elkaar "in een gemeenschappelijken dorst en een gemeenschappelijk welbehagen in de schoone letteren'. In dit gezelschap wordt eveneens veel gelachen. De dichter Bloem “brengt een strijdvaardigen en lossen toon, al kan men niet ontkennen dat hij soms wel eens doorslaat, zij het dan op vermakelijke wijze”. Het werkje van Greshoff/Reys is het oudste Nederlandse boek, waarin melding wordt gemaakt van het verschijnsel literair café.

Het literaire café van Ab Visser is ongetwijfeld het enige boekje dat het fenomeen als titel draagt. Deze door de Sjaalmanpers gepubliceerde "Open brief aan Nico Rost' bevat herinneringen aan cafés die Visser frequenteerde. Er staat in beschreven hoe Bodega Dik (officieel: Chez Dicque) te Groningen, waar de leden van de kunstenaarsbent De Ploeg bijeenkwamen, in de oorlog door een bom werd verwoest. Visser komt tot de conclusie dat “het zuivere literaire café niet bestaat en dat hoogstens een aantal kunstenaars op een bepaald café hun stempel drukt, in bepaalde tijden of zelfs op bepaalde dagen en uren”. Er zijn meer provinciesteden met cafés waarin literatuurgeschiedenis werd geschreven. De Roskam in Tilburg bij voorbeeld. Daar werd in de jaren twintig het tijdschrift De Gemeenschap opgericht. Daar vond ook de voorbespreking voor de oprichting van het tijdschrift Roeping plaats. Maar er is geen plaats in Nederland waar meer ontmoetingsplaatsen voor schrijvers te vinden zijn dan in de hoofdstad. Volgens het criterium van Ab Visser zou men een literair-historische plattegrond van Amsterdam kunnen maken, aan de hand waarvan men zien kan in welke tijd welke schrijvers hun stempel drukten op welk café. Dan zal blijken dat er in het Amsterdam van de na-oorlogse jaren (de kunstenaarssociëteiten De Kring en Arti et Amicitiae buiten beschouwing gelaten) geen café was dat zo veelvuldig door schrijvers werd gefrequenteerd als Eylders in de Korte Leidsedwarsstraat.

Al in de oorlog was Eylders een trefpunt voor studenten en kunstenaars die zich elders niet meer konden verenigen. De dichter Jan G. Elburg noteerde over het café in die tijd: “Waar de dichters van Criterium zich, als elke generatie, belaagd voelden door de ouderen. Waar het bier met de maanden dunner werd, de verloflikeuren met de dag minder loffelijk, denk ik. Alsof het er iets toe deed. Want bij Eylders zitten was het betere leven, temidden van de dood in de pot.” Eylders werd later het ontmoetingspunt bij uitstek voor de experimentele dichters en schilders. Ook de dichters Gerard den Brabander, J.C. Bloem en Bertus Aafjes behoorden tot de stamgasten, schrijft Elburg in zijn memoires Geen Letterheren. Maar als de Vijftiger Koos Schuur gaat emigreren, vindt het afscheidsfeest plaats in café Theo Ruiter aan de Rozengracht, ook een in die jaren veelvuldig door auteurs bezochte kroeg. In 1971 werd door Bas Lubberhuizen en Jan in 't Hout voor het eerst een café geopend dat het predikaat literair café kreeg - het zou de daaropvolgende decennia veel navolging krijgen. Officieel heet het café aan de Kloveniersburgwal "Het Amsterdamsch litterair café De Engelbewaarder', genoemd naar het in die dagen pas verschenen boek Herinneringen van een engelbewaarder van W.F. Hermans. Er werden lezingen en voordrachten gehouden, maar ook schaakwedstrijden, de wereldkampioenschappen flipperen en concerten georganiseerd.

In 1975 begon het café met de uitgave van het "kwartaalschrift' De Engelbewaarder, aanvankelijk bedoeld om veronachtzaamde auteurs aan de vergetelheid te ontrukken. De uitgave onder leiding van Thijs Wierema groeide uit tot een prachtige literair-biografische reeks van dertig titels. Aan welke eisen moet een café voldoen, wil het als "literair café' de geschiedenis ingaan? Over Américain bij het Amsterdamse Leidseplein bestaan twee bekende anekdotes: het vuistgevecht tussen Du Perron en Nijhoff (“Wat hèb je eigenlijk tegen mij”) en de talloze keren dat Harry Mulisch zich om indruk te maken aan de telefoon liet roepen. Toch kan men Américain moeilijk een literair café noemen. Dat geldt nog sterker voor het schuin daartegenover gelegen Barbizon-hotel, waar op zondagmiddag literaire lunches worden georganiseerd. Afgelopen zondag was daar de schrijver Joost Zwagerman de gastheer. Een broodje eten met Joost Zwagerman, dat vormt blijkbaar voor liefhebbers van het werk van de auteur een buitenkansje. Een schrijver wil zijn werk verkopen, en gelijk heeft hij. De uitwassen van die noodzaak zijn de signeersessies, de voorleesbeurten en de lunches in als "literair' vermomde dranklokalen en hotelzaaltjes. Wat schrijvers moeten doen in het literaire café in de ware betekenis van het woord werd door Greshoff treffend omschreven: “Zij spreken (niet altijd kwaad) over andere schrijvers, die toevallig op dat ogenblik in een ander café zijn, waar die natuurlijk weer spreken over de schrijvers die in dit café zijn. Dat is heel eenvoudig en men weet niet beter of het hoort zo.”