Beroemd onderzoek wordt dikwijls verkeerd geciteerd

Roddels en verhalen veranderen van karakter als zij van mond tot mond worden doorgegeven. Het vertelde wordt korter en krijgt meer betekenis, omdat het centrale thema geleidelijk uitkristalliseert. Het fenomeen speelt ook wetenschappers parten.

De psychologen Kim Vicente en William Brewer verzamelden een aantal voorbeelden uit hun eigen vakgebied (Cognition, volume 46, pag. 101-128, 1993). Zij onderzochten hoe een beroemd experiment van de Nederlander A.D. de Groot uit 1946 in de wetenschappelijke literatuur werd geciteerd. De Groot beschreef hoe hij onderzoek deed naar het geheugen van schakers van verschillende speelniveaus. Dit werk behoorde in de periode tussen 1966 en 1988 nog steeds tot de 0,1% meest aangehaalde onderzoeken in de psychologische literatuur.

Tijdens zijn onderzoek toonde De Groot vier schakers gedurende een korte tijd (2 - 15 seconden) posities uit het midden- en eindspel van werkelijk gespeelde partijen. Vervolgens werd hun gevraagd de stelling te reproduceren. Het bleek daarbij dat de betrokken grootmeester en meester (De Groot zelf) er met grote accuratesse in slaagden de posities weer te geven, maar de prestaties van twee ervaren schakers waren minder indrukwekkend.

In de referenties verandert dit experiment. De tijd dat de schakers naar het experiment konden kijken werd bijvoorbeeld vereenvoudigd tot vijf of tien seconden. Een andere onderzoeker meldde dat de meesters de stellingen perfect weer konden geven, terwijl zij wel degelijk enkele fouten maakten. Weer een ander sprak over stellingen met het maximum van 32 schaakstukken op het bord, terwijl in werkelijkheid aanzienlijk minder stukken opgesteld stonden. Ook werd vaak ten onrechte gesuggereerd dat De Groot een vergelijking maakte tussen het geheugen van beginners en experts, terwijl hij in werkelijkheid alleen ervaren schakers gebruikte.

Vicente en Brewer wijten de verdraaiingen niet alleen aan het van psycholoog op psycholoog doorvertellen van de resultaten van het onderzoek, maar ook aan reconstructieve processen in het geheugen van de wetenschappers. Kennelijk bestaat de behoefte er een ideaal experiment van te maken. Vicente en Brewer lieten studenten een historisch juiste beschrijving lezen van het experiment, maar ook die waren geneigd dezelfde fouten te maken als die in de literatuur opduiken.

In de weergave van het onderzoek van De Groot werd de essentie niet ondermijnd, maar in andere gevallen zorgde de vertekening voor ernstige blunders. Zo lieten Allport en Postman in 1945 een proefpersoon een dia bekijken en beschrijven. Vervolgens werd deze beschrijving verschillende malen van mond tot mond doorgegeven, zonder dat de volgende proefpersonen de dia zelf hadden gezien. Het zal geen verwondering wekken dat de omschrijving geleidelijk ging afwijken van het getoonde beeld. De manier waarop dit onderzoek werd gebruikt verbaast des te meer. In de secundaire literatuur wordt soms vermeld dat alle proefpersonen de dia hadden gezien en dat het doorvertelde verhaal de waarneming belangrijk beïnvloedde. Het experiment werd zelfs in rechtszalen aangehaald om aan te tonen dat ooggetuigen eerder vertellen wat zij hebben gehoord, dan wat zij hebben gezien

Nog mooier is het voorbeeld van Whorf. Hij besprak de invloed van taal op het denken in 1940 en 1956 en wist hierbij te melden dat de Eskimo-taal drie, en misschien zelfs zeven, woorden bezit voor sneeuw. In de secundaire bronnen wordt dit aantal chronisch overschat. In één publikatie wordt zelfs vermeld dat de Eskimo's honderd verschillende woorden voor sneeuw kennen.

Er bestaat een reële mogelijkheid dat het meisje dank zij de behandeling in leven blijft, maar vervolgens niet meer zonder beademing kan leven. De kwaliteit van haar leven is dan dermate minimaal, dat de dood een aanlokkelijk alternatief biedt. Dan ontstaat er een penibele situatie. Het niet ingrijpen in de crisissituatie (abstineren) valt nog binnen de mogelijkheden die de Nederlandse wetgeving biedt. Het "eruittrekken van de stekker' is echter een actievere vorm van levensbeëindiging en ligt op de grens tussen abstineren en euthanasie. Een dergelijk geval ligt ook op het randje van wat wel of niet aan justitie moet worden doorgegeven. Hoe de officier van justitie in deze situatie zal reageren is onduidelijk, maar onaangename ondervragingen voor ouders en artsen zijn het kleinst denkbare gevolg.