ALICE MILLER

G.F. Bögels. Psychoanalyse in de taal van Alice Miller. Univ.v. Amsterdam, 11 december 1992. Promotor: Prof.dr. F. Balk-Smit Duyzentkunst.

In 1979 las ik in de International Journal of Psychoanalysis een artikel dat mij definitief voor de psychoanalyse won. Het was "The drama of the gifted child' van Alice Miller, dat in hetzelfde jaar met enkele andere artikelen bij Suhrkamp als boek verscheen onder de titel Das Drama des begabten Kindes und die Suche nach dem wahren Selbst. Het eerste was mijn lot en met het tweede was ik bezig. Zelden heb ik me zo begrepen gevoeld en zelden heb ik die ervaring met zoveel anderen moeten delen. Das Drama werd een internationale bestseller en Alice Miller groeide van een onbekende Zwitserse psychoanalytica binnen de kortste keren uit tot de Elisabeth Kübler-Ross van het vroege kinderleed.

Binnen korte tijd volgden nog twee andere boeken Am Anfang war Erziehung (1980) en Du sollst nicht merken (1981), waarin de analyse steeds meer plaats maakte voor filippica's tegen de "schwarze Pädagogik' van ouders, die hun kinderen met gestrengheid tot gevoelloosheid en hardheid opvoeden. De gevoelens, wensen en verlangens van het kind worden niet gerespecteerd, het kind wordt in het Procrustesbed gedwongen van een opvoeding, die de behoeften van de opvoeder bevredigt en het gevoelsleven van het kind verwoest. Het is oorlog tussen ouders en kind en in de visie van Alice Miller is dat zowel gevolg als oorzaak van een samenleving waarin oorlog, wreedheid en gevoelloosheid endemisch zijn. De verbindingen die Miller legt tussen wat het kind met zijn eigen gevoelens doet, wat ouders met hun kinderen doen en wat de samenleving met haar leden doet zijn altijd opvallend direct en absoluut. Er is geen ontkomen aan en haar zeer indringende schrijfstijl is tegelijkertijd ook zo dwingend, dat ook bij de lezer de emotie het in eerste instantie wint van het verstand. Miller is overtuigend, maar daarmee heeft ze nog niet altijd gelijk. Dat is mij pas later duidelijk geworden.

Inmiddels is het weer wat stiller rond haar geworden. Ze publiceert nog wel, maar niet veel meer en ook niet veel nieuws. Eigenlijk is Alice Miller het perfecte voorbeeld van de auteur van één boek, van één artikel zelfs. Dat artikel is geplaatst in een toptijdschrift en dat is meteen ook zo'n beetje de laatste keer geweest dat ze in psychoanalytische kring serieus genomen is. Publiek succes van een collega is in de ogen van analytici altijd verdacht, omdat echt goede analytische gedachten naar hun aard weerstand moeten oproepen. In de psychoanalyse gaat het immers om wat mensen onbewust niet meer willen horen, weten en voelen. Een run op de boekhandel voor een analytisch werkje is dan ook alleen maar te interpreteren als verdere versterking van de afweer, in de hand gewerkt door een analyticus die vreemd is gegaan. Alice Miller heeft de kritiek niet afgewacht, maar zichzelf steeds scherper tegen de psychoanalyse en vooral de analytici gekeerd.

Het was dan ook een verrassing op de Amsterdamse promotielijst een proefschrift tegen te komen van een lid van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse (NVPA) en daarin in het voorwoord te lezen, dat het "niet nodig is Miller als een psychoanalytische dissident te beschouwen'. Een proefschrift bovendien van een prominent lid van de NVPA,want na eerder veel andere functies in de beweging te hebben vervuld is mevrouw Bögels nu secretaris van de opleidingscommissie van de Vereniging, en daarmee mede verantwoordelijk voor de Nachwuchs. In de psychoanalytische wereld is dat bijna zoveel als het hoeden van de Graal, want de opleiding is lang, zwaar en duur, en slechts zelden is iemand al voor zijn veertigste lid van de Vereniging.

Het proefschrift zelf was minder verrassend, viel mij eerlijk gezegd zelfs nogal tegen. Ik kan niet zeggen dat het slecht is, het is vooral erg weinig. De qua omvang nogal bescheiden tekst blijft heel dicht bij het werk van Alice Miller zelf en bestaat voor een groot deel uit aan elkaar geregen citaten, vooral uit Das Drama. Het commentaar dat daarop gegeven wordt is op zich meestal wel interessant en verhelderend - al is Alice Miller zelf onder de moderne psychoanalytische auteurs een van de weinigen die helder en aansprekend schrijven - maar het blijft toch erg beperkt tot alleen Miller's werk. Er wordt nauwelijks dieper gegraven en er worden ook nauwelijks verbindingen met andere auteurs gelegd. De plaats van Alice Miller - in eerste instantie toch een praktizerende analytica - wordt niet bepaald temidden van andere belangrijke analytici van de laatste decennia. Zonder nadere uitleg krijgt ze een plaats toegewezen naast bijvoorbeeld Theodor Adorno en Peter Gay, wel analytisch georiënteerd, maar geen therapeuten. Ik weet bovendien zeker dat iemand als Adorno de opvattingen van Alice Miller filosofisch als bijzonder oppervlakkig zou afdoen. Peter Gay op zijn beurt zal zeker niet vrolijk worden van Alice Miller's historisch inzicht.

Als het gaat over Freud's verleidingstheorie (waarover dadelijk meer), blijft de hele discussie van de laatste tien jaar daarover volstrekt onbesproken. Jeffrey Masson wordt niet eens genoemd, van Nel Draijer (niet: Draaijer) en Geert Panhuysen zijn de dissertaties niet bestudeerd. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Met grote stelligheid worden standpunten ingenomen zonder behoorlijke inhoudelijke of empirische argumentatie en zonder positiebepaling ten opzichte van de literatuur. In een niet op empirisch onderzoek gebaseerd proefschrift moeten echter toch hoge eisen gesteld worden aan de bespreking van en de fundering op de relevante en recente literatuur. Met associaties en duidingen kom je in de analyse een heel eind, maar voor een proefschrift is echt meer nodig.

De titel van het proefschrift is enigszins raadselachtig. Wie denkt dat met "psychoanalyse in de taal' gewoon bedoeld wordt "psychoanalyse in de opvatting' of "in het werk' van Alice Miller, merkt halverwege tot zijn verrassing dat er kennelijk toch ook nog iets anders mee bedoeld wordt. Alice Miller gaat eigenzinnig om met begrippen als "opvoeding' en geeft er een betekenis aan, die omgekeerd is aan de gangbare. "Opvoeding' is bij haar weinig meer dan Newspeak voor geweld tegen kinderen: achter de positieve façade gaat een negatieve werkelijkheid schuil. Is de ontdekking daarvan "psychoanalytisch'? Ja, maar dat is dan toch nog geen "psychoanalyse in de taal' en het is wat komisch om bij mw. Bögels dan te lezen dat je de betekenis van de begrippen niet zomaar kan of mag veranderen. De discussie die je daarover kan voeren blijft vervolgens achterwege. Ik houd het er maar op dat de titel een kleine buiging is naar de taalwetenschappelijke promotor, die naar mijn mening behoorlijk wat strenger en leidinggevender had mogen zijn, ook wat de stijl betreft.

Wat is er nu zo bijzonder aan Alice Miller? Je zou kunnen zeggen dat zij een van de eersten is geweest die in de psychoanalyse de betekenis van de werkelijkheid - van wat er werkelijk gebeurd is en niet alleen van wat de analysant in zijn fantasie beleeft - heeft teruggebracht en bovendien onvoorwaardelijk partij heeft gekozen voor het kind. Dat is ook haar impliciete en expliciete kritiek op Freud. Al aan het begin van de psychoanalyse, nu bijna een eeuw geleden, gaf Freud de gedachte op dat de vele berichten van zijn patiënten over seksueel misbruik in hun jeugd voor een belangrijk deel niet of niet zo vroeg plaats kunnen hebben gevonden en dus geen berichten waren over feiten door volwassenen gepleegd, maar over verlangens van kinderen. Met de overgang van de zogenaamde verleidingstheorie naar de seksuele drifttheorie legde hij niet alleen het fundament voor de Oedipuscomplexhypothese, maar ook voor het primaat in de psychoanalyse van de beleving boven het beleefde.

Veel compassie met het kind is bij Freud niet te vinden, Alice Miller loopt ervan over en daarom spreekt haar werk zo aan: niet "zo is het', maar "dit gaat over mij'. In de opvatting van Miller is het opgeven van de verleidingstheorie een vergissing geweest. Aanvankelijk denkt zij daarbij niet eens zozeer aan de realiteit van seksueel misbruik - later wordt dat thema ook bij haar prominent - maar aan de "verleiding' van het kind om zich zoveel mogelijk aan te passen aan de behoeften en wensen van zijn ouders en daardoor zichzelf te kort te doen, zoals ook zijn ouders tekort zijn gekomen in onvoorwaardelijke aandacht, liefde en acceptatie van hun ouders, waardoor zij niet anders kunnen dan het kind gebruiken om in hun eigen tekort te voorzien.

Het kind moet het narcistische tekort van de ouders opheffen en kan daardoor niet voorzien in zijn eigen, normale en gezonde narcistische behoefte aan liefde, erkenning en respect. "Begaafde kinderen' zijn kinderen die over een bijzonder vermogen tot aanpassing aan de behoeften van hun ouders beschikken. Dat maakt het hen later bijzonder moeilijk hun eigen gevoelens - negatieve, maar ook positieve - bewust te beleven, met als gevolg dat ze vaker gekweld worden door onbestemde en onverklaarbare gevoelens van neerslachtigheid en leegte. Juist onder analytici, zo denkt Miller, zijn veel "begaafde kinderen' te vinden, heel goed in staat tot empathie, maar ook met een grote behoefte om door voor anderen belangrijk te zijn hun genegenheid te winnen.

Terugkijkend op wat Miller bijna 15 jaar geleden schreef - en dit is een zeer vereenvoudigde parafrase daarvan - is er op veel van haar standpunten en uitwerkingen kritiek mogelijk. Zo wijst mw. Bögels erop dat Miller haar beschouwingen over narcistisch gestoorde moeders (om er geen misverstand over te laten bestaan: een narcistische stoornis betekent dus niet een teveel aan zelfliefde, maar een onverzadigbare behoefte aan liefde om een in de vroege jeugd ontstaan gebrek aan zelfliefde op te heffen) vooral baseert op verhalen van patiënten die getraumatiseerd zijn door eigen oorlogservaringen of door de oorlogservaringen van hun ouders. Die ervaringen worden gelijkgesteld met de ervaringen van kinderen die een min of meer "gewone' opvoeding hebben gehad. Mw. Bögels zet daar uitdrukkelijk vraagtekens bij en ik denk dat dit feitelijk terecht is, al zal Alice Miller dat nu juist niet vinden: opvoeding is in veel gevallen oorlog tegen dat wat het kind het meest nodig heeft: liefde en waardering. Of het buiten ook echt oorlog is, is dan nog maar een detail.