Wodka is de maat der dingen

MOSKOU, 3 MAART. Het is een beetje onopgemerkt gebleven te midden van de schermutselingen die president Boris Jeltsin en parlementsvoorzitter Roeslan Chasboelatov elke dag weer op het hoogste politieke toneel opvoeren. Maar het presidium van de Russische volksvertegenwoordiging heeft deze week een zeer gewichtig besluit genomen. De staat moet het monopolie op alcohol heroveren en zo ook op de maatschappij in haar geheel. Het feit dat ook alcohol nu subject is van de vrije markt, is voor het parlement namelijk een schrijnend bewijs van het verval van Rusland.

Het wetsontwerp is sinds maandag klaar. Als het aan de leiding van de Opperste Sovjet ligt - en aan haar ligt momenteel veel - zal de overheid weer greep moeten krijgen op de produktie én de verkoop van alle alcoholica. Met uitzondering dan van wijn en bier. Maar dat kan geen uitzondering genoemd worden omdat “droge” wijn en pils in het Russische spraakgebruik niet als alcohol betiteld mogen worden, al was het maar omdat deze drankjes nu eenmaal geen vlam vatten.

Dit wetsvoorstel is welhaast de belangrijkste indicatie van de laatste maanden dat de top van Rusland bezig is een wending te maken conform het leninistische adagium "één stap voorwaarts, twee stappen terug'. Want waarom gaat het met deze wet? Om wodka uiteraard! Maar dat betekent in feite veel meer. Wodka was, is en zal in Rusland altijd de maat der dingen blijven. Wodka is in het Russische Rijk een ander woord voor fiscus, dat wil zeggen, voor een onstuitbare stroom van inkomsten die de staat door het vrije marktmechanisme nu jammerlijk moet derven. Wodka is tevens de metafoor voor de menselijke wil die vrij wil zijn maar uiteindelijk toch afhankelijk blijkt van hogere machten, anders gezegd, het is de metafoor voor de gecompliceerde verhouding tussen de alomvattende overheid en wegkruipende onderdaan.

Pag 17: Eeuwig strijd om wodka

Wie in Rusland de wodka in handen heeft, heeft dus bijna per definitie ook het land onder controle. “Zodra de staat of de heersende klasse de teugels liet vieren en het beheer over de wodka verloor, waren politieke troebelen het gevolg. Dan traden problemen aan het licht, die tot dan verborgen waren gebleven”, aldus de Moskouse historicus Wiljam Pochlebkin in zijn anderhalf jaar geleden verschenen studie Geschiedenis van de wodka.

De hervormingen aan het eind van de negentiende eeuw zijn bijvoorbeeld niet toevallig voorafgegaan door nieuwe bezitsverhoudingen in de wereld van de wodka. Tot diep in de negentiende eeuw was de wodka-produktie het monopolie van tsaar en adel, kortom, van de staat. Een significant deel van de schatkist kwam uit de accijnzen op drank. Dat was zo lucratief omdat de inkomsten uit wodka twee keer zo hoog waren als de uitgaven voor de produktie ervan, waarvan meer dan de helft aan de staat moest worden afgedragen. Tussen 1800 en 1900 wist de centrale kas de inkomsten uit deze vorm van indirecte belasting te verzesvoudigen.

Maar toen ook het kapitalisme Rusland begon aan te doen, wisten de nieuwe kooplui zich snel meester te maken van het kleurloze geld. De overheid zag haar inkomsten begin deze eeuw in rap tempo afnemen. De alcohol-winsten vloeiden meer en meer onbelast weg in de zakken van de opstomende burgerij, op wie het tsaristische centrale gezag geen greep meer had. Op zijn sterfbed probeerde het ancien regime nog om het wodkamonopolie in ere te herstellen. De revolutie van 1917 maakte echter een einde aan deze poging om de staat via de drank weer in handen te krijgen.

Na de Oktoberrevolutie herhaalde dit patroon zich. De bolsjewieken dachten van de fouten uit het verleden geleerd te hebben en begonnen derhalve drastisch: met een algemene drooglegging. Dat paste in hun zelfbeeld als organisatie van noeste revolutionairen en leek dienstbaar aan de produktiviteit van landbouw en industrie, die door de eerste wereldoorlog en het “oorlogscommunisme” diep was gedaald.

Jozef Stalin - zelf een duchtig drinker, ook al moest hij vaak zijn meerdere erkennen in zijn compaan Vlatsjeslav Molotov - besloot tijdens de "grote terreur' in 1936 gas terug te nemen. Er kwam weer wodka op de markt, alsmede port en champagne. Hij sloeg zo twee vliegen in één klap. De opbrengsten voor de staat begonnen weer toe te nemen en de intelligentsia ging terwille van de vergetelheid aan de fles. Bij het begin van de oorlog poogde het stalinistische bewind de drink-discipline weer wat te herstellen. De soldaten aan het front moesten het doen met een dagelijks rantsoen van honderd gram. Maar naarmate de bevrijding dichter in het verschiet kwam te liggen, herstelden ook de oude drank-gewoonten zich op het bekende pre-revolutionaire peil.

De opvolgers van Stalin namen in de decennia daarop zelfs een grootgrutters-mentaliteit aan: de prijs werd laag gehouden (2 roebel, 65 kopeken) en het aanbod tot massale omvang opgevoerd, zodat iedere burger kon drinken wat hij wilde. Dat er officieel van Leonid Brezjnev en de zijnen niet op de werkplaats gedronken mocht worden, was tot medio jaren tachtig slechts schijn. De gevolgen waren er naar. De overheidsinkomsten groeiden - de rentabiliteit van de wodka was in vergelijking met de negentiende eeuw nauwelijks veranderd - en de arbeidsproductiviteit daalde.

Toen Michail Gorbatsjov in 1985 aantrad, had hij de naïeve hoop de klassieke leninistische cultuur te kunnen revitaliseren. Zijn tweede man in het Politbureau, Jegor Ligatsjov, lanceerde daarop een anti-alcoholcampagne tegen de “groene slang”. Wijngaarden werden platgewalst, destilleerderijen werden gesloten en café's dichtgespijkerd.

Al ras werd duidelijk dat Gorbatsjov met dit onjuist wodkabeleid de eerste nagel aan zijn eigen doodkist sloeg. De halve drooglegging van Ligatsjov leidde tot niets. Sterker, de effecten waren juist contraproductief. Toen Gorbatsjov later een politiek einde maakte aan Ligatsjov als tweede man in de hiërarchie bleek er geen weg meer terug. Het corrupte conglomeraat van partij en apparatsjiks, dat zich onder Brezjnev als de drijvende kracht van het openbaar bestuur had ontwikkeld, had in één klap het wapen in de schoot geworpen gekregen waarmee het zijn “mafiastructuren” definitief kon stabiliseren: illegale wodka. Wat voordien via de partij gebeurde, voltrok zich vanaf 1986 in het vrije veld.

Een deel van de nieuwe burgerij, die nu aan de wieg moet staan van het democratische en economisch vrije Rusland van president Jeltsin, heeft in dat caporegime zijn eerste beginkapitaal geaccumuleerd en is aldus dankzij Ligatsjov tot in de hoogste regionen van de maatschappij doorgedrongen. Het zijn deze kooplui die de alcoholmarkt nu nagenoeg compleet beheersen. De staatsbedrijven die wodka stoken, verliezen daarom meer en meer terrein. De goede wodka in Rusland is nu veelal van buitenlandse origine of wordt via-via gesleten, de slechte is een dubieus mengsel van water versneden met pure alcohol van bijvoorbeeld onze vaderlandse Koninklijke Spiritus. In bijna alle gevallen vist de fiscus naast het net.

Parlementsvoorzitter Roeslan Chasboelatov en zijn presidium willen daar nu een einde aan maken. Controle en geld, is hun doel. Maar het proces van vrije maatschappelijke krachten is in de wodka-branche al heel ver heen. De beslissing die de leiding van de volksvertegenwoordiging eergisteren heeft genomen, kan dus hooguit met harde hand geëffectueerd worden. Dat nu is precies wat Chasboelatov en zijn medestanders nastreven. Want een sterke arm in de wodka betekent nog altijd een sterke arm in geheel Rusland.