Slechts 5 procent vervuilende bedrijven voldoet aan norm; Systeem milieuzorg niet populair

ROTTERDAM, 3 MAART. Slechts vijf procent van de 10.000 meest milieubelastende industriële bedrijven in Nederland beschikt over een milieuzorgsysteem. In 1995 is dit voor al die bedrijven verplicht. Sinds het vorige onderzoek in 1991 is wel, behalve in de sector overheids- en nutsbedrijven, overal vooruitgang geboekt.

De stichting Natuur en Milieu is teleurgesteld over het resultaat en vraagt minister Alders (milieu) in een brief wettelijke maatregelen te treffen, om de doelstelling binnen de gestelde termijn te realiseren.

De resultaten van het onderzoek naar de vrijwillige invoering van milieuzorgsystemen, waartoe in 1989 in de notitie Bedrijfsinterne Milieuzorg van de toenmalige minister van milieu E. Nijpels werd besloten, zijn in januari naar het ministerie van milieubeheer gestuurd. Nijpels stelde in de notitie dat als in 1992 onvoldoende voortgang is geboekt, wettelijke maatregelen zullen worden genomen.

Het onderzoek is in september 1992 uitgevoerd door KPMG Milieu en was voor die organisatie het grootste dat ze ooit verrichtte. Van de 10.000 bedrijven werden er zo'n 1.000 in een steekproef schriftelijk benaderd en werd bij 55 een korte "audit' uitgevoerd. In januari 1991 was een eerste onderzoek gedaan, zodat de voortgang na anderhalf jaar vastgesteld kon worden.

Een milieuzorgsysteem heeft tot doel de belasting van het milieu te verminderen en moet ervoor zorgen dat overal in een bedrijf net zo veel aandacht aan milieu-aspecten wordt besteed als aan kwaliteit, kosten en veiligheid. Het begint met een milieubeleidsverklaring en omvat verder onder meer een vertaling daarvan in de bedrijfsvoering en afspraken over periodieke metingen, evaluaties en in- en externe rapportage. “Iedereen in het bedrijf heeft ermee te maken”, zegt Dr. G.C. Molenkamp van KPMG Milieu. “Directie inkoop, verkoop, marketing, produktie, ze moeten allemaal het milieu meenemen in hun dagelijkse werk.” Hij ziet het als een taak van het management om met behulp van milieuzorgsysteem “alle neuzen in dezelfde richting te krijgen”.

Bij het eerste onderzoek in 1991 had 21 procent van de bedrijven nog niets gedaan en dat percentage is sindsdien gehalveerd. Het aantal bedrijven dat tot een eerste aanzet is gekomen, is gedaald van 37 tot 32 procent. Het percentage ondernemingen dat al wel systemen ontwikkelt, maar nog weinig maatregelen treft, steeg met 6 tot 37 procent. De groep die gevorderd is met het systeem of het al af heeft, groeide van 11 naar 21 procent.

Bij nauwkeuriger onderzoek bij 55 bedrijven bleek de kwaliteit van de programma's tegen te vallen. “Ze hebben vooralsnog soms het karakter van een genomen of te nemen praktische maatregelen, waaraan meestal een gedegen tijdsplanning, een budget en een toedeling van verantwoordlijkheden ontbreekt”, aldus het rapport. Ook milieu-investeringsplannen bleken anders dan werd opgegeven niet altijd primair milieudoeleinden te dienen.

Uit de rapportage van KPMG concludeert VROM dat een groot deel van de bedrijven de milieuzorg "oppakt' en dat 58 procent redelijk tot goed op weg is. De opstellers van het rapport laten echter zien dat als de groei in het huidige tempo voortgaat, eind 1995 hoogstens 40 procent van de doelstelling wordt gehaald. Bij een optimistischer schatting stijgt dat tot 65 procent. Ing. H.H. Kuijer, coördinator Bedrijfsinterne milieuzorg bij VROM, erkent dat er geen reden is “op de lauweren te rusten” en dat wettelijke maatregelen “in ogenschouw worden genomen” om de bedrijfsinterne milieuzorg verder tot ontwikkeling te brengen. Voor de 10.000 bedrijven zal volgens hem milieuverslaglegging wettelijk worden verplicht.

Volgens het onderzoek is het voldoen aan de eisen van de overheid de primaire beweegreden om milieu-maategelen te treffen. Molenkamp van KPMG verwacht echter dat steeds meer bedrijven ook andere voordelen van een actief milieubeleid zullen inzien. Hij noemt als voorbeeld Albert Heijn die bij de inkoop eisen stelt aan leveranciers, in de wetenschap dat de consument het belangrijk vindt dat een produkt schoon is geproduceerd. Zo dwingen bedrijven elkaar tot milieubewustzijn. Ook wijst hij op het voordeel dat Nederlandse bedrijven kunnen opbouwen ten opzichte van de concurrentie. Op EG-niveau wordt hard gewerkt aan milieunormen die in alle landen verplicht worden. Een voorsprong op dit terrein biedt commerciële voordelen.

J. van der Kolk van KPMG Milieu ziet een duidelijke scheidslijn tussen bedrijven die wachten tot de overheid wat doet en bedrijven die zelf het voortouw nemen. “Of 65 procent van de doelstelling in 1995 kan worden gehaald, hangt af van de maatregelen die de overheid nu neemt. Als je niets doet, duurt het misschien wel tot het jaar 2000 voor alle bedrijven een systeem hebben. Dat is een redelijk tempo voor verandering van een bedrijfsproces, maar het is de vraag of we uit milieu-oogpunt wel zo veel tijd hebben.” Hij vindt dat in de convenanten die de overheid met branches afsluit, duidelijke richtlijnen voor de interne milieuzorg moeten worden opgenomen.

Branches die het milieu ernstig belasten, lopen volgens het rapport voorop. In de chemie is 60 procent van de bedrijven gevorderd of gereed met een systeem, een stijging met 21 procent ten opzichte van anderhalf jaar geleden. Van de overheids- en nutsbedrijven was in 1991 een op de vijf gevorderd met het ontwikkelen van een systeem. In die branche is sindsdien geen enkele ontwikkeling geweest. Het rapport stelt dan ook: “Zij hebben de voorbeeldfunctie, die van deze groep min of meer werd verwacht, niet waar kunnen maken.”