Mevrouw U

Beukenburg. In de huiskamer van "begeleiding' hangt een beklemmende leegte. Die mensen, ze zitten er, maar ze zijn er niet, niet echt.

Anneke is hoofd van deze afdeling. We kennen elkaar lang genoeg voor een begroeting met kussen. Mevrouw U raakt daar opgewonden van.

De vorige keer wou ze ook een kus. Ze is 76 en nogal kolossaal. Dwars door de kamer kwam ze op me af. Ik dacht: is dit soms die vrouw die zo gemeen kan slaan? Toen nam ze mijn gezicht in haar handen. Vol op de mond.

Vandaag bleef ze zitten, zwaar in haar stoel. Ze zag ons zoenen en begon te joelen. Anneke schoot in de lach. Ze liep ernaartoe en boog zich over haar heen.

“Vind je hem leuk”, vroeg mevrouw U. “Ga maar met hem mee, hoor meisje. Dan doe ik het werk wel!”

Ze kan de zon in het water zien schijnen.

Soms begint ze plotseling te huilen. Door haar tranen heen kijkt ze je aan. “Mijn man is dood. Erg hè?”

Verdriet moet slijten. Als je voor de honderdste keer aan zoiets denkt, hoort het minder erg te zijn dan de eerste keer. Voor mevrouw U is het steeds voor het eerst. Steeds dringt eindelijk tot haar door dat haar man is overleden.

Het is niet alleen dat ze dingen niet goed kunnen onthouden. Het is ook dat ze niet goed kunnen vergeten.