Gelauwerd!

De Prijs zoekt gedwee zijn winnaar op, en meteen volgen er andere bezoekers. In drommen. Nederland leek vorige week voor mij nog het meest op een fles tomatenketchup - eerst komt er een hele tijd niks, en dan ineens bijna alles. Goeie hemel.

Er waren de felicitaties (waarvoor dank). Er was de radio. Er waren de kranten. Er werden vragen gesteld door journalisten. Nu ja, door een handjevol toch zeker. Journalisten van het ouderwetse, degelijke slag. Luiwammesen hebben nu in een mum hun artikeltje vol door even bij de LiteROM met alle ouwe besprekingen langs te lopen.

Meer dan eens dook de vraag op of ik de laatste tijd niet milder was geworden.

Ik was blij toe dat de journalisten het om de feestvreugde niet te bederven nog zo vriendelijk uitdrukten. Ik hóórde ze popelen om aftands of seniel te zeggen, maar ze hielden zich keurig in en vroegen, zonder zelfs maar te doen of ze een vies woord uitspraken: ik kan me vergissen, meneer, maar bent u de laatste tijd niet wat milder geworden?

Wat moet je daarop antwoorden?

Hoe wordt men milder?

Men wordt na een cursus kanaalzwemmen badmeester, na een examen rekenen boekhouder, na een diner bij kaarslicht minister en na een stembusfraude professor in de tekstwetenschap, maar men wordt niet ineens goeiig of gemeen of mild. Als men dat is, dan zat het er al in. Het is een kwestie van langzame groei, van ontplooiing en accentverlegging. Van interpretatie en beeldvorming. Van factoren waarvan men zichzelf vaak niet eens bewust is.

Ben ik echt milder?

Om daar een typisch mild antwoord op te geven: ja en nee.

Ja, misschien, omdat ik geen trek in een maagzweer heb. En ja, omdat men met het klimmen der jaren wat meer begrip gaat opbrengen voor de lafaards en de schipperaars. Niet meteen voor de pathologische windbuilen en de verstokte leugenaars, maar toch zeker voor de sukkels en de zwakkeren die, om hun leven te rekken, de hand van hun beul af en toe moeten likken. Om eerlijk te hebben geleefd dient men in de wieg te zijn gestorven, en mensen die het moralisme prediken, vooral als het hun medemensen betreft, gaan je steeds meer tegenstaan.

Nee, ongetwijfeld, omdat ik nog steeds geen mildheid in me voel over het feit dat ik aan de wieg ontgroeid ben. De wereld is een stal en de schepper een varkenshoeder, en niets, niets wat me daarmee verzoent. Als u me wilt horen schelden en razen, ik scheld en raas voor u.

Maar de schijn van mildheid is er, ik erken het. Het komt omdat ik al jarenlang over van alles uitbundig heb gezanikt - niet over hondepoep, maar over televisie, politiek, architectuur, literatuur - en omdat ik me zelf niet al te veel kan en wil herhalen. Zo komt een mens nog eens aan andere dingen toe.

Maar, vragen de journalisten dan, er is toch een hele nieuwe generatie opgestaan? Die met dezelfde rotzooi zit opgescheept? Die dat alles nog eens zou moeten kunnen lezen? Aan wie je dat allemaal opnieuw kan vertellen?

Wat moet je daar weer op antwoorden?

Dat je om die reden boeken maakt, en dat een boek betekent dat je iets hebt vastgelegd, op elk moment opvraagbaar, en door elke nieuwsgierige lezer met vrucht te raadplegen, ook als de schrijver zelf al seniel is geworden, zo'n antwoord lijkt in deze tijd van vluchtige literaire rellen en couveuse-bestsellers bijna ongepast.

Laat ik me inhouden. Anders word ik boos.

En nu snel naar de leeszaal om de juffrouw te storen bij het intikken van haar nieuwe LiteROM ("Honderd jaar Prijswinnaars') en te vragen of ze daar ook boeken van Swift en Montaigne hebben.