Fusie bonden moet CNV uit het slop halen

ROTTERDAM, 3 MAART. Nauwere samenwerking tussen de aangesloten bonden moet het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) uit het slop halen. Fusies tussen CNV-bonden worden daarbij aanbevolen.

Dit staat in de nota Toekomst maken we samen, die de vakcentrale vanmiddag heeft uitgebracht. De nota is opgesteld door een werkgroep die zich heeft gebogen over de toekomst van de christelijke vakcentrale. Aanleiding is dat het CNV, opgericht in 1909, in zijn huidige opzet en werkwijze geen perspectief heeft.

Als voornaamste feilen van de huidige positie van het CNV noemt de nota: het achterblijvende ledental, de geringe "zichtbaarheid' en "aanwezigheid' op de werkplek en in de regio, de deplorabele financiële positie van het overgrote deel van de aangesloten bonden, de dikwijls ondoelmatige werkwijze, de overbelasting van kaderleden en bondsmedewerkers en de toenemende concurrentie van andere bonden.

De werkgroep kiest voor het voortbestaan van het CNV als zelfstandige organisatie in de traditie van de christelijk-sociale beweging. “Het erfgoed is te waardevol om het teloor te laten gaan en niet alles te doen om deze te kunnen laten doorklinken.”

De werkgroep vindt dat de vakcentrale haar “herkenbaarheid in de leefomgeving” moet versterken en dat de CNV-bonden hun “aanwezigheid en werfkracht” in de bedrijven en bedrijfstakken moet versterken. Het meeste heil verwacht de werkgroep van vergaande samenwerking tussen de zeventien aangesloten bonden.

Het CNV telt bijna 327.000 leden en is daarmee na de FNV (bijna 1,1 miljoen leden) in grootte de tweede vakcentrale van het land. De onderlinge krachtsverschillen tussen de CNV-bonden zijn, zowel in leden als in middelen, groot. Meer dan de helft van de leden zit bij bonden in de collectieve sector. Zij kampen met een krap bij kas zittende overheid, waardoor nauwelijks mogelijkheden zouden overblijven om voor de leden te “scoren”.

In de marktsector zit het gros van de CNV-leden bij de Industrie- en voedingsbond (ruim 57.000 leden) en de Hout- en bouwbond (43.000 leden), die zichzelf goed kunnen bedruipen. Daarentegen lijdt bij voorbeeld de Dienstenbond CNV (19.000 leden), actief in een groeisector van de economie, een noodlijdend bestaan. Met behulp van een gezamenlijk "investeringsfonds' wil de werkgroep de armslag van de financieel zwakkere bonden vergroten.

De werkgroep vindt dat de beoogde samenwerking niet van bovenaf mag worden opgelegd, maar van onderop moet gedijen. Wel is in de nota een zogenoemd "oefenmodel' opgenomen, waarin voor het vormen van organisatorische samenwerkingsverbanden zes clusters worden aanbevolen: overheid, onderwijs, industrie, bouw, zorgverlening en commerciële dienstverlening.