De halte

Zachtjes zingend zit ik in de lege tram. Bij de halte voor het ziekenhuis stapt een lange, bejaarde man in, die schuin achter mij plaatsneemt.

“Ja, zingt u maar!” hoor ik hem zeggen. Ik zwijg. Het klonk niet als een aansporing maar ook niet als een verwijt. “Zingt u maar!” Weer die verwarrende toon. Onzeker geworden draai ik mij om. “Ik was vroeger bij de opera”, verklaart hij en voegt daar zonder overgang aan toe: “Mijn vrouw en ik zijn nu 63 jaar samen en daarnet zei de dokter dat het misschien vanavond al afgelopen kan zijn.” Hij hoest. “Ik ga nu thuis eten. Dan komt mijn zoon mij halen en gaan we samen terug. Bijna 63 jaar en nu dit!” Ik kijk hem aan; hij staart naar innerlijke beelden.

“Carmen heb ik 28 keer gezongen.” Hij haalt een veelgebruikte portefeuille uit zijn binnenzak en peutert daar een stapel foto's uit. De kiekjes zijn crèmekleurig; de afgebeelde personen bruin. Ik zie een krachtige jongeman die in soldatenrok op een toneel staat. Alleen de lengte van de geportretteerde maakt nog geloofwaardig dat hij een jeugdige incarnatie van mijn medepassagier is. Het soldatenuniform keert telkens terug: met de muts in de hand, wijdbeens met getrokken sabel, buigend met bloemen, met een glas wijn in een kleedkamer.

“U denkt misschien: "Zo'n vreemde man die zomaar tegen me gaat praten..' Maar nu ziet u dat het waar is van die opera.” Hij bergt de foto's weer op.

“Eergisteren was ze voor het laatst bij kennis. Volgende maand zou het 63 jaar zijn. Ik ben niet zo'n groot prater, maar dit...”

“Het verdriet is ook te groot”, zeg ik. Hij zwijgt lange tijd. “Ik ga nu een paar boterhammetjes voor mezelf klaarmaken. Dat heb ik afgesproken met mijn zoon.”

Ruim voor de halte maakt hij aanstalten om op te staan. “Zo, ik ben er al bijna.” Even leg ik mijn hand op de zijne. Daarop pakt hij mij bij de elleboog en zegt: “Bedankt. Bedankt dat u naar zo'n vreemde man hebt willen luisteren.”

Wanneer de deur openzwaait, lijkt het even of hij zich in de halte heeft vergist. Hij kijkt naar buiten of hij zijn eigen buurt voor 't eerst ziet, of ze hem vijandig is en hem terugduwt in de tram. Dan zet hij een voet op de treeplank. Half binnensmonds hoor ik hem zeggen: “...Trouwens, ze kennen mij allemaal hier.”