De Franse angst voor nederwiet; Het nieuwste wonder van ondernemingszin en gevaarlijkse laksheid: de Hollandse hasj-taxi

"Hallo, dealer?' luidde de kop boven een "column' in L'Humanité, het orgaan van de Franse communistische partij. De auteur vestigt de aandacht op het “nieuwste wonder van ondernemingszin en gevaarlijkse laksheid”: de Hollandse hasj-taxi. “De coffee-shops zijn dus niet genoeg”, zo gaat de schrijver verder, “de dealers komen ongestraft aan huis waar met behulp van een catalogus (jazeker, jazeker!) een keuze kan worden gemaakt tussen hasj, joint of mega-joint. Levering gratis en direct. Discretie verzekerd.”

De lezers van L'Humanité - veelal woonachtig in de gedepriveerde voorsteden van Parijs, Lille en andere grote steden - worden gewaarschuwd dat “de reis je heel duur kan komen te staan”. En: “In Frankrijk zal men zeggen dat men maar door heel weinig kilometers van Nederland gescheiden is en dat het verdrag van Maastricht, met de open grenzen, schuldig is aan de bevordering van drugs-toerisme.” Deze conclusie is weliswaar onjuist - de open grenzen zijn het resultaat van de overeenkomst van Schengen en niet van "Maastricht' - maar dat doet er niet zoveel toe. Het artikel in L'Humanité is symptomatisch voor het beeld van "Nederland-drugsland' dat de laatste maanden in Frankrijk steeds terugkeert.

Het Nederlandse drugsbeleid werd in november aan de kaak gesteld in een rapport van de Franse Senaat over het vrije verkeer van personen, dat ingevolge het "akkoord van Schengen' in negen EG-landen (Benelux, Frankrijk, Duitsland, Italië, Portugal, Spanje en Griekenland) wordt ingevoerd, waarschijnlijk formeel in het tweede kwartaal van dit jaar. In het rapport, opgesteld door senator Gerard Larcher, een overtuigd lid van de Europese Beweging, wordt veel aandacht besteed aan de teelt van "nederwiet'. Het blad Libération herinnerde er onlangs aan dat de kweek van vaderlandse hasj volgens het vakblad Bloem en Plant samen met de kweek van tomaten al op de zesde plaats op de hitlijst van de Nederlandse tuinbouw komt.

“Moet men wachten tot de Franse landbouwers, slachtoffers van de GATT-onderhandelingen, zich op de produktie van marihuana storten, voordat men uiteindelijk de kweek van cannabis onder glas in de "ruimte' van Schengen verbiedt”, vraagt Larcher zich in zijn rapport af. De reactie van de Franse regering kwam enkele weken later. Minister van binnenlandse zaken Paul Quilès waarschuwde dat “Frankrijk de tenuitvoerlegging van het akkoord van Schengen niet kan accepteren zolang Nederland zijn wetgeving, zijn regelgeving en hun justitiële praktijk op het gebied van verdovende middelen niet wijzigt”.

Minister Quilès maakte ook duidelijk dat Europol, het samenwerkingsverband met de politie van de Schengenlanden, niet in Den Haag kan worden gevestigd zolang Nederland zijn drugsbeleid niet "harmoniseert', dat wil zeggen aanpast aan dat van de andere landen. Behalve Den Haag is Straatsburg kandidaat voor de zetel van Europol. Minister-president Lubbers wees de uitlatingen van Quilès, onder verwijzing naar afspraken die met Parijs en de Franse politie zijn gemaakt, woedend van de hand als een "infame' actie om Den Haag in diskrediet te brengen. Maar dat drong nauwelijks tot de Franse pers door. Alleen Le Monde maakte in een klein bericht melding van de woede van Lubbers.

In februari werd andermaal met een beschuldigende vinger in de richting van Den Haag gewezen. In een rapport van het Internationale bureau voor de controle van drugshandel van de Verenigde Naties werd Nederland tot potentieel “regionaal leverancier van cannabis van hoge kwaliteit” bestempeld. Vermoedens als zou de Franse diplomatie in deze redactie een helpende hand hebben gehad, werden in Den Haag kalm ontkend. De Franse diplomatie behoeft zich in VN-kring inderdaad niet aan macchiavellistische operaties over te geven - ze kan verwijzen naar informaties van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) dat "nederwiet' met percentages van 9 tot 27 procent aan tetrahydrocannabinol, de "verdovende' substantie, de concurrentie met buitenlandse marihuana (percentage 14 procent) gemakkelijk aan kan.

De Franse autoriteiten kunnen zich moeilijk voorstellen dat de ruim tweeduizend coffeeshops die Nederland telt, hun omzet van 722 miljoen gulden in 1991 (bron: Libération) uitsluitend behalen uit de verkoop van porties van 30 gram hasj die in Nederland "getolereerd' worden mits ze voor "persoonlijke consumptie' zijn bestemd. Tenslotte is hun - en de Franse krantelezers - ook bekend dat "koeriers' in gerieflijke BMW's op de autosnelweg Antwerpen-Breda uitzien naar auto's met Franse nummerborden om klanten te verwerven. En Franse auto's met nummerborden die op 59 eindigen (de regio Nord-Pas de Calais met steden als Lille en Valenciennes ) zijn in het weekeinde een bekende verschijning op bepaalde Rotterdamse adressen, waar wel meer te verkrijgen is dan hasj voor "persoonlijk gebruik'.

Fransen die zich bezorgd tonen over het gebruik van verdovende middelen - dat in Frankrijk evenals in Belgie en Luxemburg bij de wet verboden is - wijzen uiteraard met cartesiaanse logica op de Nederlandse inconsistentie dat persoonlijk gebruik wordt getolereerd, maar dat handel (en verbouw van nederwiet) is verboden. Hoe gebruik mogelijk is zonder handel, is een vraag die niet langer beantwoord behoeft te worden als 'coffee-shops' - 'hallo dealer?' - nederwiet, rode Libanon en elke andere gewenste variëteit per scooter of Harley Davidson thuis bezorgen. De essentiële vraag is of Nederland de "soft-drugsmagneet' voor Frankrijk en het Europa van Schengen wil worden.

Het Frans-Nederlands debat over bestrijding van verdovende middelen is tot op zekere hoogte een dovemansdialoog. De wetgeving in beide landen is zeer verschillend. In Frankrijk wordt geen onderscheid gemaakt tussen soft en hard drugs. En in Frankrijk bestaat anders dan in Nederland nauwelijks een beleid om verslaafden op te vangen en medisch te begeleiden. De "resultaten' zijn ernaar: Frankrijk heeft ongeveer 120.000 verslaafden (Nederland: 20.000) van wie 40 tot 60 procent seropositief is (Nederland: 30 procent), in 1991 waren er 411 drugsdoden (veelal wegens overdoses) tegen minder dan dertig vorig jaar in Nederland. Frankrijk heeft na Zwitserland het hoogste aantal aids-patienten in Europa.

De Fransen kunnen dus veel leren van het Nederlandse beleid. Sommigen, zoals deskundigen bij het ministerie van gezondheid, willen dat ook, maar de officiële politiek bestaat voornamelijk uit repressie, zoals een kleine 160 Nederlanders, veroordeeld wegens drugshandel, in Franse gevangenissen kunnen getuigen. In Parijs en omgeving, dat ruim 27 procent van alle Franse drugsverslaafden telt, zijn voor heroïne-verslaafden zeer weinig mogelijkheden, en de meeste op particulier initiatief, om gratis injectienaalden om te wisselen. Methadon wordt mondjesmaat en half illegaal verstrekt en zo zijn er nog tal van andere voorbeelden te noemen van wat in Nederland als het ontbreken van beleid zou worden beschouwd.

Maar betekent dit dat Nederland niet serieus behoeft te reageren als Frankrijk bezwaar maakt tegen de "inconsistente' handel in soft drugs en de produktie van nederwiet in hoeveelheden die de behoefte voor "eigen gebruik' kennelijk ruim overstijgt? De Franse kritiek op het lankmoedige Nederlandse beleid wordt - afgezien van de strijd om de vestiging van Europol - meestal afgewezen met verwijzing naar de betere resultaten van het Nederlandse beleid: minder verslaving, minder drugsdoden, minder aids. (De vijftig doden die in 1992 vielen onder drugs-handelaars in Rotterdam tellen uiteraard niet mee).

Het Nederlandse "model' omvat echter ook de handel die verboden is, maar wordt getolereerd. Dat "wonder van ondernemingszin' (L'Humanité) bevoorraadt niet alleen de lokale "coffee-shops' en per taxi de thuisggebruiker, maar ook Franse drugs-toeristen. Met schouderophalen over de overdreven Franse vrees voor hasj en nederwiet is de discussie niet gediend, zeker als dit vaderlandse produkt de grens van hard drug nadert. Terechte kritiek op het Franse drugsbeleid moet er niet toe leiden dat de vraag uit de weg wordt gegaan of Nederland in de Schengen-ruimte het distributiecentrum voor hasj wil worden. Landen zoals Frankrijk die - al dan niet tegen beter weten in - hasjgebruik consistent bestrijden en Nederlandse inconsistenties willen vermijden, mogen daarop een antwoord verwachten.

In januari bracht een commissie van de Franse Nationale Vergadering, onder voorzitterschap van de bepaald niet demagogische liberaal Francois d'Aubert, een rapport uit over de activiteiten van de mafia in Frankrijk. Op bladzijde 49 van dit rapport wordt Nederland terloops "de hypermarkt van de drugs' genoemd. De reputatie is dus gevestigd. De kop in L'Humanité "Hallo dealer?', is eigenlijk gericht aan Nederland. Het land van de nederwiet is al de "coffeeshop' van Frankrijk.