"Alleen moderne bedrijven kunnen zich staande houden'; Sanering raffinaderijen op komst

BREDA, 3 MAART. Esso-topman Stuart McGill verwacht in de komende periode belangrijke veranderingen in olieraffinagesector in West-Europa. Ook Nederland zal niet ontkomen aan een "verdere shake-out', een grondige sanering in deze sector, voorspelt de president-directeur van Esso-Benelux.

Die sanering houdt verband met overcapaciteit van de raffinage-industrie, en noodzakelijke, grote investeringen om te voldoen aan nieuwe milieu-eisen van de overheid, waarmee Esso in Nederland vooroploopt. Ook Texaco, British Petroleum en Shell hebben ingrijpende moderniseringen aangekondigd; de kleinere raffinaderijen van Total en Q8 nog niet.

De afgelopen tien jaar is de Westeuropese raffinaderijsector drastisch ingekrompen, omdat er sprake was van een forse overcapaciteit. Kleine raffinaderijen werden gesloten en grotere verkleind. “Bijna waren we in balans, maar door de omwenteling in Oost-Europa en de conjuncturele depressie die daarop volgde, daalde de vraag naar brandstoffen daar en kwam er weer meer capaciteit beschikbaar”, zegt McGill. Als gevolg van die ontwikkeling is er nu nog steeds sprake van overcapaciteit in geheel Europa. Bovendien heeft de toenemende vraag naar schonere brandstoffen en strengere milieunormen van de overheid bij sterke Westerse ondernemingen in de raffinagesector een stimulans gegeven aan de investeringen, aldus McGill. Alleen moderne, efficiënt werkende raffinaderijen die aan de nieuwste milieunormen voldoen, kunnen zich in de concurrentiestrijd staande houden. Verouderde fabrieken delven het onderspit, voorspelt de Esso-directeur. Dat zal het eerst gebeuren in Oost-Europa, waar veel raffinaderijen hun capaciteit nu niet volledig gebruiken, en later ook in het Westen.

Ondanks vrij slechte bedrijfsresultaten hebben de grootste oliemaatschappijen in Nederland tot nieuwe, forse investeringen in hun raffinaderijen besloten. Esso-Benelux heeft vorig jaar een netto winst van ruim 100 miljoen dollar vóór aftrek van renteverplichtingen geboekt. De aardgaswinning in Nederland, die qua winstgevendheid veel beter scoort, is niet in dat cijfer meegenomen, maar is verwerkt in de jaarcijfers van het moederbedrijf Exxon.

Esso kwam vorig jaar als eerste met de aankondiging van de bouw van een nieuwe hydrocracker op de raffinaderij in Europoort voor 350 miljoen gulden, die als belangrijkste taak krijgt om zwavelvrije dieselolie te produceren. Midden jaren '80 werd de Esso-raffinaderij al vergaand gemoderniseerd en uitgebreid met een Flexicoker-installatie voor de verwerking van zware olie-residuen tot lichte brandstoffen. Daardoor zit de fabriek al vanaf 1986 op een derde van de norm voor emissies van stikstofoxyden (NOx) en zwaveldioxyde (SO2) die de overheid stelt voor het jaar 2000. “Na de bouw van de hydrocracker voorzien wij geen nieuwe grote investeringen in de naaste toekomst”, zegt McGill. “We kunnen met dit plan tot ver in de volgende eeuw vooruit.”

Maar met de huidige financiële resultaten is hij minder tevreden. Verwerking van ruwe olie tot brandstoffen voor auto's, vliegtuigen en de industrie is vandaag de dag door lage winstmarges geen vetpot. Shell-Nederland heeft een “slecht jaar” gehad in 1992, verklaarde raffinaderijdirecteur J. van der Veer van Shell-Pernis onlangs, omdat de chemie in de rode cijfers zit en het resultaat van het oliebedrijf “zeer onbevredigend” was.

Bij Esso is het al niet veel anders. Gemiddeld lag het rendement op geïnvesteerd vermogen in de Esso-raffinaderijen in Rotterdam en Antwerpen en het bijbehorende verkoopapparaat de afgelopen vijf jaar iets beneden de 7 procent. Maar dat gemiddelde werd slechts gehaald door een incidentele piek in het eerste kwartaal van 1991, als gevolg van de Golfoorlog. Tijdelijk waren de winstmarges op olieverwerking daardoor hoger. Dit jaar begint al met een lager rendement en beleggers zouden hun geld dus eigenlijk beter op een spaarrekening kunnen zetten.

“Op dit moment is het rendement bij ons duidelijk onvoldoende”, geeft McGill toe. “Vandaag is het heel moeilijk te zeggen of een nieuwe investering rendabel zou zijn. Maar je moet in dit vak een lange termijnvisie hebben. Om aan de nieuwe milieu-eisen van 1996 te voldoen, moesten we nu investeren in de produktie van schone, zwavelvrije dieselolie, anders kun je de zaak wel sluiten. Maar kijk je naar ons moederbedrijf Exxon als totaal, dan zie je over 1992 een rendement van 15 à 16 procent voor aandeelhouders die hun dividend in nieuwe investeringen omzetten. Over de afgelopen tien jaar was dat cijfer gemiddeld 22 procent”.

In het jaar 2000 moet volgens nieuwe voorschriften van de overheid de uitworp van schadelijke stoffen door grote industrieën, waaronder raffinaderijen, omlaag en vanaf 1996 moeten de brandstoffen lichter en schoner worden om het motorverkeer minder te laten vervuilen. Vooral die verandering van de vraag noopt de olieconcerns tot moderniseringen, op straffe van verlies van marktaandeel. Laagzwavelige dieselolie wordt nu al op bescheiden schaal in Nederland geïmporteerd. Het gehalte aan zwavel in dieselolie mag over drie jaar nog maar 0,05 procent bedragen; het ligt nu nog op 0,2 procent. In EG-verband wordt bovendien gestreefd naar halvering van het zwavelgehalte in huisbrandolie, van 0,2 tot 0,1 procent. Ook komt de bunkerolie - de brandstof voor schepen - aan bod, die nu nog tussen de 1 en 4 procent zwavel bevat, een gehalte dat overheden ook flink willen verlagen.

Nederland is behalve als doorvoerland voor ruwe olie en brandstoffen een belangrijke exporteur van raffinageprodukten. De totale capaciteit van de Nederlandse raffinaderijen voor verwerking van ruwe olie (in vaktermen de "doorzet') bedraagt 68 miljoen ton per jaar. In de eerste tien maanden van 1992 werd via de haven van Rotterdam 50 miljoen ton olie ingevoerd, waarvan 48 miljoen ton door de Nederlandse raffinaderijen is verwerkt. De binnenlandse afzet van deze in Nederland geproduceerde brandstoffen bedroeg 33 miljoen ton, zodat voor export 15 miljoen ton overbleef. Om die positie te behouden, zijn investeringen in de raffinaderijen van groot economisch belang, niet alleen voor de oliemaatschappijen zelf maar ook voor de transportsector en toeleverende bedrijven.

Shell-Nederland zal de komende vijf jaar meer dan 3 miljard gulden investeren in een complete modernisering van het raffinagecomplex in Pernis. Ook Nerefco (de joint venture van Texaco en British Petroleum in Europoort die twee raffinaderijen gezamenlijk exploiteert) wil een nieuwe katalytische kraakinstallatie en een nieuwe fabriek voor de benzine-component MTBE bouwen, in totaal voor 250 miljoen gulden. Samen hebben de vier grootste Nederlandse raffinaderijen van Esso, Shell en Nerefco meer dan 85 procent van de Nederlandse produktiecapaciteit. De twee kleinere raffinaderijen, van Total en Dow Chemical in Vlissingen en van Kuwait Petroleum (Q8) in Rotterdam hebben (nog) geen investeringsplannen bekendgemaakt.

Tegelijk werken alle oliebedrijven, ook Esso, aan een verbetering van efficiency: het omlaagbrengen van de kosten per eenheid produkt. Bij Shell-Pernis vertaalt zich dat in een concrete personeelsreductie; bij Esso “voorzien we dat vooralsnog niet”, zegt Stuart McGill. “We nemen iedere sector onder de loep, onze mensen weten dat het er met deze industrie op korte termijn niet goed voor staat, dat we ons moeten bezinnen op verbetering van de doelmatigheid. Ze hebben allemaal de instructie om hun "denkpetten' ("thinking caps') op te zetten, het gaat om onze financiële performance over vijf jaar. Ik heb alle vertrouwen in een forse verbetering, want echt belangrijk in dit gevecht is hoe je er in vergelijking met je concurrenten voorstaat, en die positie is uitstekend.” Als belangrijkste voorbeeld van een efficiëncyverbetering die zijn vruchten al heeft afgeworpen, noemt hij de samenvoeging van Esso-Nederland en Esso-België in één organisatie voor de Benelux met één hoofdkantoor (in Breda) die in de jaren '86 en '87 is gerealiseerd.