"Wellicht heb je Spaanse pepers nodig'

Er zijn van die jeugdige verdachten die een mens bij vlagen een tikkeltje té rechts kunnen maken. Vol medegevoel met de zwakkere medemens was je die morgen nog van huis gegaan, maar zie, daar staat een jonge, goed doorvoede man nonchalant voor het hekje, verdacht van een of ander laf diefstalletje of mishandelinkje, en op de vraag of hij van plan is ooit nog eens iets behoorlijks voor de kost te doen, reageert hij met een meewarig schouderophalen: “Hoezo?”

Bij de rechterlijke macht - ook maar gewone mensen die niet ongevoelig zijn voor maatschappelijk onbehagen - groeit de laatste tijd de irritatie over zoveel onverschilligheid. Sommige rechters vragen pittig door als de verdachte zijn toekomstplannen - of het gebrek daaraan - ontvouwt. Verdachten melden soms triomfantelijk dat ze net een opleiding begonnen zijn. O ja, zegt de rechter dan quasi verheugd, wanneer precies? Gisteren, moet de verdachte een beetje beteuterd toegeven. Da's ook toevallig, zal een béétje cynische rechter zeggen. En na enig doorvragen blijkt dan ook nog vaak dat de verdachte "gisteren' slechts een aanvraag voor een opleiding heeft ingediend.

De Haagse politierechter mr. R. van der Heide is het type ervaren rechter dat zich geen smoezen voor citroenen laat verkopen. Het is een kalende man met een fijn brilletje die vanuit de verte enigszins aan de Amsterdamse uitgever Theo Sontrop doet denken - zelfs met bijbehorend gevoel voor ironie. Als het van pas komt, verwijst hij ten overstaan van de verdachte naar zijn persoonlijke omstandigheden. Zo leren we deze morgen over hem dat hij grootvader is, gymnasium alfa heeft en per maand zeshonderd gulden huishoudgeld moet betalen aan zijn vrouw - dit tegen een verdachte die klaagt over de hoogte van zijn alimentatie.

Paul Singh, een man van begin twintig, neemt nietsvermoedend voor mr. Van der Heide plaats. Hij is een goed gebouwde, enigszins dandy-achtige man met een ontspannen motoriek. Hij zakt een beetje onderuit, als iemand die een genoeglijk onderhoud verwacht met een oude bekende.

Singh heeft zonder geldig plaatsbewijs in een Haagse tram gereden. Toen de controleurs zijn kant op kwamen, probeerde hij alsnog haastig af te stempelen. Maar volgens de regels van de Haagse Tramweg Maatschapppij moet een passagier onmiddellijk na binnenkomst afstempelen.

Een conducteur wilde hem een boete van 62 gulden opleggen, maar Singh beweerde dat hij geen geld bij zich had. De conducteur vroeg hem daarop om een legitimatiebewijs. Ook dat had hij niet, zei Singh. Toen moest hij zijn naam opgeven. Hij deed dat dermate onduidelijk dat de conducteur hem tot vier keer toe moest vragen zijn naam te spellen. Plotsklaps vluchtte hij naar de uitgang. De conducteur kreeg hem te pakken en hield hem bij zijn middel vast. Singh draaide zich om en sloeg de conducteur tegen de borst en in het gezicht. Een andere conducteur kwam erbij, Singh werd in de houdgreep genomen en liep daarbij zelf ook verwondingen in het gezicht op.

“Hij hoeft me niet aan te raken”, zegt Singh over de eerste conducteur. “Ik deed dat ook niet bij hem.”

“U bleef zich verzetten”, constateert de rechter. “U sloeg hem zelfs met uw vuist.”

“Ik kon er ook niks aan doen dat hij mijn naam niet kon verstaan.”

“Wat doe je voor de kost?” vraagt de rechter die kennelijk moeite heeft de verdachte consequent te vousvoyeren.

“Niks.”

“Krijg je geen uitkering?”

“Jawel.”

“Maar je solliciteert je bewusteloos?”

“Jawel.”

“Om negen uur nog bij een baas geweest?”

“Nee, ik moest hierheen.”

“Gisteren nog wezen solliciteren?”

“Nee.”

“Afspraken voor morgen?”

“Nee.”

“Wat voor diploma heb je?”

“Middenstand.”

“Ah, daar is altijd veel vraag naar mensen. Vakken vullen, noem maar op.”

Het lokt de verdachte niet écht. Hij maakt zich kleiner in zijn stoel en wendt zijn gezicht af, alsof de rechter hem gammastralen toezendt met een sarcastische lading. “Ik ben eigenlijk net terug van een maandje vakantie in Amerika”, zegt hij verontschuldigend.

“Het is je eigen leven”, zegt de rechter, verraderlijk coulant. Om er met een stem als een zweepje aan toe te voegen: “Misschien heb je wat Spaanse pepers nodig. Lijkt me.”

Op dit moment begint het hoge, niet te loochenen geluid van een pieper door de zaal te kwaken. En wat nog veel opmerkelijker is: de pieper blijkt zich in de binnenzak van de verdachte te bevinden. Enigszins bedremmeld knijpt hij het apparaat de keel dicht.

“Dat was vast Randstad Uitzendbureau”, zegt de rechter laconiek.

Er golft gelach over de publieke tribune, en de verdachte lacht mee, zoals alleen een verdachte met een ongeneselijke kiespijn kan lachen.

De officier van justitie, mr. J. van Ek, eist een boete van vijfhonderd gulden of tien dagen hechtenis. “Je hebt je niet te verzetten”, zegt hij. “Die man heeft wèl werk en voert dat uit. En als beloning wordt hij gestompt. Dat moet niet.”

“Wat vindt u van de eis?” vraagt de rechter.

“Dat verhaal van die conducteur klopt niet”, mompelt Singh.

“Dan sluit ik het onderzoek. Controleurs krijgen regelmatig klappen, ze moeten beschermd worden. Ik leg u vijfhonderd gulden boete op of tien dagen gevangenis. Laat u het hierbij of gaat u in beroep bij het gerechtshof?”

“Ik laat het hierbij”, zucht Singh.

De rechter leunt voorover terwijl Singh opstaat. “En solliciteren, hè? Je bent te goed om hier op straat te hangen. Afmars.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.