WAO-reparatie nestelt zich als splijtzwam in overleg over arbeidsvoorwaarden; Metaalmoeheid in de bedrijfstak-CAO

ROTTERDAM, 2 MAART. Sneuvelt een van de grootste bedrijfstak-CAO's in Nederland? De kans daarop is gestegen door het vastlopen (eind vorige week) van het overleg over nieuwe arbeidsvoorwaarden voor de 200.000 werknemers in de metaal- en elektrotechnische industrie.

De compensatie van de verlaagde uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid (WAO) nestelde zich afgelopen maand als splijtzwam in het CAO-overleg in de "grootmetaal'. De vakbonden willen een collectieve regeling ter reparatie van het "gat' tussen de nieuwe uitkeringen en het oude WAO-niveau (70 procent van het laatst verdiende loon). De werkgevers, verenigd in de FME, wijzen dat af. De aanvulling moet facultatief zijn, vinden zij, zowel voor werknemers als voor werkgevers. “We willen een individuele bestedingsbeslissing in plaats van een collectieve verplichting”, zei FME-voorzitter J.L. van den Akker.

De onverzoenlijkheid over de WAO heeft de speculaties over het einde van de metaal-CAO aangewakkerd. Onderhandelaar N. Broers van de Industriebond FNV is er niet rouwig om. “Het is een onvermijdelijke èn gewenste ontwikkeling, omdat de behoefte aan maatwerk per bedrijf in het arbeidsvoorwaardenpakket groeit”, zegt hij.

De metaal- en elektrotechnische industrie telt ongeveer 1.300 ondernemingen. Daarvan vallen onderveer 1.000 bedrijven onder de CAO-grootmetaal. De overige bedrijven vallen onder andere bedrijfstak-CAO's (meestal die van de metaalnijverheid), of hebben een eigen ondernemings-CAO (zoals Philips, Hoogovens).

Broers wil het vacuüm, dat bij het wegvallen van de CAO-grootmetaal ontstaat, opvullen door met de grotere bedrijven - zoals Fokker, NedCar, VMF Stork - ook ondernemings-CAO's af te sluiten. “Het gaat om ruim 100 bedrijven van meer dan 200 werknemers. Dat moet met inschakeling van onze districtsbestuurders te doen zijn”, aldus Broers. Voor de overige circa 900 bedrijven staan hem regionale metaal-CAO's voor ogen.

Complicaties vormen de regelingen over het vervroegd uittreden (VUT) en de vakopleidingen. Het is volgens Broers wenselijk de financiering daarvan intact te laten, dat wil dat zeggen de kosten ook in de toekomst worden omgeslagen over de gehele bedrijfstak. Een partiële CAO op bedrijfstakniveau zou daar volgens hem uitkomst kunnen bieden.

Deze optie maakt echter geen schijn van kans om de simpele reden dat de FME daar niet aan zal meewerken. De werkgevers ontkennen niet dat er sprake is van een zekere decentralisatie in het arbeidsvoorwaardenoverleg, maar zij voelen er niet veel voor verder af te zakken dan het niveau van de bedrijfstak. Niet alleen omdat in het bijzonder in het midden- en kleinbedrijf de expertise ontbreekt om verantwoorde CAO's af te sluiten, maar ook omdat de bedrijven conflicten liever buiten de deur houden.

“Mijn leden zeggen: De bonden mogen best een kop koffie komen drinken, maar we hebben graag dat jij de CAO doet”, zei oud-FME-voorzitter drs. J.C. Blankert een jaar geleden. Zo kijken de metaalwerkgevers er nog steeds tegenaan. Ze willen geen Britse toestanden, waar het werk om het minste of geringste arbeidsgeschil wordt neergelegd.

Aan werkgeverszijde wordt onderkend dat er voor de vakbonden ook tactische en strategische belangen kunnen zijn gediend met een toename van het aantal bedrijfs-CAO's. In de eerste plaats omdat de bonnden dan meer zichtbare resultaten voor hun leden zouden kunnen boeken. En in de tweede plaats omdat werkgevers dan (meer) tegen elkaar uitgespeeld zouden kunnen worden en het in die kringen gevreesde haasje-over-effect vaker zou kunnen optreden. Om die reden bestempelt men in FME-kring verdergaande decentralisatie dan ook als niet gewenst en niet verstandig.

De Utrechtse hoogleraar sociaal recht, prof.mr.A.Ph.C.M. Jaspers, kijkt er niet van op dat de WAO-kwestie in de grootmetaal “hard wordt gespeeld”. “Het is een trendsettende bedrijfstak, en het gaat om een issue dat de vakbeweging niet kan laten liggen, terwijl de FME het zich, als belangrijke club binnen de werkgeversorganisaties, niet kan permitteren als eerste door de bocht te gaan.”

Hoe het conflict ook afloopt, het illustreert volgens Jaspers een ontwikkeling die uiteindelijk zal uitmonden in grotere verschillen in arbeidsvoorwaarden tussen bedrijven en bedrijfstakken. Daarbij moet de vakbeweging zich volgens hem wel realiseren wat daarvan op den duur de gevolgen voor de arbeidsmarkt zullen zijn. “Er schuilt het gevaar van een balkanisering van de arbeidsverhoudingen in, waarbij zwakke groepen op de arbeidsmarkt in zwakke CAO's belanden en sterke groepen de betere CAO's in de wacht slepen. Met een CAO op bedrijfstakniveau kun je die tegenstellingen makkelijker toedekken; met bedrijfs-CAO's krijg je meer spanningen tussen groepen werknemers met uiteenlopende belangen. Dat kan voor de vakbeweging heel lastig worden, nog afgezien van de vraag hoe de relatie tussen de bonden en de ondernemingsraad er dan uit komt te zien.”