Recht op pensioen voor ongehuwde nabestaanden

DEN HAAG, 2 MAART. Ongehuwden wier partner is overleden krijgen recht op een nabestaandenpensioen, mits ze kunnen aantonen dat ze ten minste een jaar met die partner hadden samengewoond.

Dit blijkt uit het gewijzigde voorstel van staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) voor de Algemene Nabestaandenwet. Deze wet moet de huidige Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) vervangen. Ter Veld is met haar gewijzigde voorstel tegemoetgekomen aan de kritiek van de CDA-fractie in de Eerste Kamer. Ze dreigt nu echter problemen te krijgen met de PvdA-fractie in de Senaat.

In haar oorspronkelijke voorstel, dat al door de Tweede Kamer was aangenomen, gaf de staatssecretaris ongehuwden wier partner is overleden recht op een uitkering wanneer ze drie maanden hadden samengewoond. Niet alleen heeft ze die termijn nu tot een jaar verlengd; daaraan is bovendien de bewijslast toegevoegd voor de nabestaande dat zij of hij door middel van een samenlevingscontract, een testament of een pensioenregeling aantoont te hebben samengewoond.

Een nabestaande die opnieuw gaat samenwonen, raakt na een jaar de uitkering kwijt. In dit geval geldt niet dat er sprake moet zijn van een testament of contract. De Sociale Verzekeringsbank moet vaststellen of de nabestaande is gaan samenwonen. De PvdA-fractie in de Eerste Kamer vraagt zich af of een dergelijke inmenging in de privacy niet te ver gaat en of het juridische verschil tussen rechten en plichten voor de nabestaanden niet te groot is. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer heeft dezelfde problemen met het voorstel, maar lijkt ervoor te kiezen de nieuwe wet niet langer op te houden.

Volgens het nieuwe voorstel verandert er niets voor mensen boven de 60 jaar die al een uitkering hebben. Zij houden hun uitkering, ook als ze (gaan) samenwonen. Mensen onder de zestig die al samenwoonden, houden hun uitkering nog anderhalf jaar.