Nekkramp eist "uitzonderlijk' veel slachtoffers

ROTTERDAM, 2 MAART. Meningitis (hersenvliesontsteking) heeft binnen een week het vierde dodelijke slachtoffer in Nederland gemaakt. De vierde patiënt, een 14-jarige jongen uit Grevenbicht (gemeente Born) overleed gisteren in het ziekenhuis van Sittard, zo heeft een woordvoerder van de DGD Westelijke Mijnstreek in Geleen bekendgemaakt.

Eerder deze week overleed een 4-jarig meisje uit Obbicht aan nekkramp in het ziekenhuis van Sittard. Aan verschijnselen die op nekkramp wezen overleed in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht vrijdag een 7-jarige jongen uit Veghel. Onderzoek moet nog aantonen of meningitis inderdaad de doodsoorzaak is geweest. In het Nijmeegse Sint Radboudziekenhuis overleed zondag een 18-jarige man uit Arnhem aan nekkramp. Nekkramp is een symptoom van hersenvliesontsteking.

Volgens de afdeling Infectieziekten van de Geneeskundige hoofdinspectie zijn er tot nu toe 96 gevallen van nekkramp gemeld: “Dat is veel. Het is nauwelijks seizoensgebonden. De verhouding is twee (in de zomer) staat tot drie (in de winter). Er wordt het gehele jaar door melding gemaakt van nekkramp. Dat er vier slachtoffers aan zijn overleden is uitzonderlijk. Nekkramp is in het algemeen goed te behandelen.”

Per 1 april komt er een nieuw vaccin voor de "gemene vormen van bacteriologische meningitis'' waar kinderen nu nog niet tegen kunnen worden ingeënt.

Jaarlijks krijgen 700 tot 800 kinderen ernstige aandoeningen door de bacterie Haemophilus Influenza B (HIB). Daarbij gaat het in de helft van de gevallen om meningitis. De incubatietijd -de tijd tussen de besmetting en het moment van ziek worden- bedraagt bij nekkramp maximaal tien dagen.

Een kleine tien procent van de behandelde kinderen houdt blijvende schade over aan aan de besmetting. Zulke restaandoeningen kunnen onder meer gehoorverlies, blindheid, verlammingen, epilepsie en evenwichtsstoornissen zijn.

Ongeveer tien tot vijftien procent van de bevolking is drager van de bacterie die nekkramp veroorzaakt. De bacterie zit meestal in de neus- en keelholte en kan door hoesten of niezen worden overgedragen. Meestal worden dragers van de bacterie niet ziek, maar bij een verminderde weerstand kan de bacterie toeslaan.