"Ik heb die woorden uit de mouw geschud'

Morgen krijgt prins Willem Alexander het eerste exemplaar van de goedkope herdruk van het Woordenboek der Nederlandsche Taal - het grootste (en nog altijd onvoltooide) woordenboek ter wereld. Initiatiefnemer Matthias de Vries steunde op talloze letterkundigen, maar zijn ijverigste medewerker was de Arnhemse schoolopziener A.C. Oudemans.

In 1852 was het zover. De eerste redactie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal was geïnstalleerd en initiatiefnemer Matthias de Vries (1820-1892), later hoogleraar te Leiden, zag zich voor de taak gesteld bouwstoffen voor het Woordenboek te verzamelen. Honderden oude en moderne teksten moesten worden nageplozen op woorden en citaten die niet in het Woordenboek mochten ontbreken - een gigantische en zeer tijdrovende klus.

In de ogen van De Vries was het Woordenboek een zaak van nationaal belang en hij aarzelde dan ook niet om via een oproep in de dagbladen de Nederlandse en Vlaamse letterkundigen aan te sporen een bijdrage aan dit werk te leveren. Bovendien stuurde hij aan tal van letterkundigen, wetenschappers en specialisten een voorgedrukte brief met de vraag hem “de behulpzame hand” te bieden.

Anthonie Cornelis Oudemans werd op 11 mei 1798 te Dordrecht geboren in een onbemiddeld gezin. Zijn loopbaan in het onderwijs begon hij als secondant op een kostschool. Later werd hij lector in de natuurkunde bij de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in Amsterdam en zes jaar lang werkte hij als hoofdonderwijzer in Nederlands-Indië. In 1857 werd hij benoemd tot schoolopziener, een baan die hij volgens zijn levensbeschrijving “met grooten lust en ijver” uitoefende.

De eerste taalkundige publikatie van Oudemans dateert van 1845. Daarvoor had hij een dichtbundel geschreven en enkele boekjes voor de jeugd. Gemengde taalkundige bijdragen en bedenkingen werd in de vakpers goed ontvangen en in de jaren daarna publiceerde Oudemans verscheidene artikelen in de bekende taalkundige tijdschriften, meestal over het Middelnederlands. Het ligt dan ook voor de hand dat ook hij in 1852 direct door De Vries werd benaderd om uittreksels voor het Woordenboek te maken.

Niet bekend

In het archief van het Woordenboek, dat is ondergebracht op het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden, zijn bovendien zeventien brieven van Oudemans aan De Vries te vinden - de enige brieven die van hem bewaard zijn gebleven. Wat deze brieven zo de moeite waard maakt, is dat ze niet alleen scherpe kritiek bevatten op twee bekende woordenboeken, er staan ook zeer persoonlijke passages in. Het aandeel van De Vries in deze correspondentie is helaas verloren gegaan, maar duidelijk wordt dat ook hij zich niet beperkte tot louter zakelijke mededelingen.

De meeste brieven dateren van 1862 en 1863.

In juni 1862 schrijft Oudemans aan zijn “zeer waarde en hooggeachte vriend” dat hij een lijstje heeft gemaakt van woorden die ontbreken in het 1846 voltooide Nederlands-Franse woordenboek van S.J.M. van Moock en in het tussen 1799 en 1811 verschenen Nederduitsch taalkundig Woordenboek van Petrus Weiland, met elf delen het grootste woordenboek dat er op dat moment voor het Nederlands bestaat.

Drie maanden later stuurt hij een lijst van 450 woorden. Hij wil hier wel mee doorgaan, schrijft hij, maar dan moet De Vries hem papier toesturen - nu een ondenkbaar verzoek, maar papier was toentertijd een luxe artikel en De Vries zal dan ook zeker niet van dit verzoek hebben opgekeken.

Vanaf dat moment verslindt Oudemans papier. De Vries stuurt hem 350 vellen toe - voor ieder woord één blad - maar Oudemans is hier binnen twee dagen doorheen. “Al deze woorden, meestal behoorende tot het nieuwe tijdvak der taalkunde”, schrijft hij aan zijn Leidse vriend, “staan noch in Weiland, noch in Van Moock. Beide Woordenboeken dragen de duidelijke kenmerken van onvolkomenheid, ook in den tijd, toen zij werden samengesteld en hunne schrijvers hebben getoond, dat zij volslagene vreemdelingen waren op het gebied van kunsten en wetenschap. Als gij de lijst mijner woorden zult inzien, dan, ik twijfel hieraan niet, zult gij, even als ik was, ten hoogste verbaasd zijn, over beider nalatigheid of beider bekrompenheid, en vooral over Weilands vrees, om woorden op te nemen, die eenigzins naar de fransche lucht roken.”

“Ik heb die 800 woorden”, vervolgt hij, “letterlijk uit de mouw geschud, en zal er waarschijnlijk nog een à twee maal zooveel in het hoofd krijgen. Gisteren ben ik er in de stilte voor gaan zitten op mijne studeerkamer, en eer ik geroepen werd om koffij te drinken, had ik 225 nieuwe woorden gevonden, die in geen van beiden te vinden zijn. De meeste verbeteringen en vergemakkelingen in het leven, zijn in die twee werken niet genoemd.”

Als voorbeeld geeft Oudemans: wenselijkheid, volksvereniging, kinderplicht, aansluiting, aangezichtspijn, kinderwinkel, pijlsnel, ijsplant, tafellamp, scheepstijding, scheepsruimte, bruidskrans, lepeldoos, tafelbak, vloerkleed en ronddrijven - woorden die overigens niet allemaal even makkelijk te rijmen zijn met “vergemakkelingen”.

Oudemans besluit zijn brief met een persoonlijke zorg. “Mijn vrouw”, schrijft hij, “is sedert eene groote maand aan het sukkelen en is uiterst zenuwachtig en zwak. God geve, dat zij mijn niet kome te ontvallen.”

De Vries schrijft terug, maar hoort een tijd niets. Uit de krant wordt hem duidelijk waarom en hij betuigt zijn medeleven. Het antwoord van Oudemans is roerend. “Ook mij viel het zeldzame voorrecht ten deel”, aldus de 64-jarige schoolopziener, “met de vrouw mijner innige liefde 38 1/2 jaar verbonden te zijn geweest. (...) Het was Gods wijze wil, en ik moet zeggen Gods goedheid, haar leven in een beter te verwisselen, want de geneesheer verklaarde mij, dat, hadde zij langer geleefd, haar leven een leven van bittere ellende en smart zou geweest zijn. Donderdag (...) deed zij mij des avonds nog van mijne kamer roepen om een dominootje met haar te spelen. Toen het spel half uit was, kreeg zij koorts. (...) Wat en hoe ik verpletterd ben, kan ik u niet zeggen, want ik ben alles kwijt. Door het aanstaande huwelijk mijner jongste dochter, blijf ik met de oudste alleen. Hoe verdrietig zal zulks voor mij zijn, doch ik hoop mijne vrouw spoedig in de eeuwigheid te volgen, ik beschouw mijne taak als afweven. Die weinige dagen, welke mij nog overblijven, wil ik mij beijveren om nog eenige diensten aan maatschappelijke belangen toe te brengen, en tot deze behooren ook de werkzaamheden voor het Woordenboek.”

Het typeert Oudemans dat hij het verdriet om de dood van zijn vrouw combineert met zijn lexicografische werkzaamheden. Tenminste, het kan geen toeval zijn dat hij juist in deze brief schampert over het ontbreken in Weiland en Van Moock van de woorden verplegen, verpleegster, verpleger en verpleging!

De hoop van Oudemans om zijn vrouw spoedig in de eeuwigheid te volgen, kwam niet uit. In het eerste half jaar na haar dood moet hij zich als een bezetene hebben gestort op het verzamelen van woorden die bij Weiland en Van Moock ontbraken. Bijna wekelijks stuurde hij De Vries een portie van ruim driehonderd woorden, tot hij er 4.600 bijeen had gebracht. Daarna stelde hij voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden het Taalkundig woordenboek op de werken van P.C. Hooft samen, dat in 1868 verscheen. Vervolgens begon hij met de publikatie van de Middel- en Oudnederlandse woorden die hij gedurende zijn hele leven had verzameld. Dit woordenboek, dat was opgedragen aan zijn vriend Matthias de Vries, was in druk tot de R gevorderd toen Oudemans op 1 oktober 1874 overleed, in het huis van een van zijn kinderen.

De Vries had zijn dank aan Oudemans toen al verscheidene keren uitgesproken. Hij herhaalde zijn hulde nog eens in de inleiding van het Woordenboek. Een dertigtal medewerkers had hem uiteindelijk terzijde gestaan bij het verzamelen van de bouwstoffen, schrijft hij, maar de “krachtigste bijstand” was van twee mensen gekomen, onder wie zijn betreurde vriend A.C. Oudemans.

Bron: Archief van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden