EUTHANASIE (2)

Kardinaal Simonis, zo hij daar behoefte aan heeft, is zeker in staat zijn standpunt over Mgr. Sgreccia's uitspraak nader toe te lichten.

Waarom de kardinaal daarin - volgens de opvattingen van professor Goddijn (NRC Handelsblad, 22 februari 1993) - niet vrijuit gaat, is echter discutabel. Goddijn benadert het ontstane conflict ongetwijfeld vanuit zijn eigen vakgebied; sociologisch gezien zou Simonis' stellingname als een apologie van het Nederlandse beleid worden uitgelegd. De kardinaal zal, vanuit kerkjuridisch oogpunt bezien, echter niet met het Nederlandse euthanasie-wetsvoorstel kunnen instemmen. Trouwens, de Nederlandse bisschoppenconferentie heeft haar standpunt de Tweede Kamer reeds kenbaar gemaakt.

Het eigenlijke probleem is daarom niet de, wellicht gechargeerde, opmerking uit het Vaticaan (het komt minder vaak voor dat in het buitenland tegen het Nederlandse beleid wordt gedemonstreerd, dan omgedraaid), maar veeleer de feitelijke intentie van het in behandeling zijnde euthanasie-wetsvoorstel. De (katholieke) kerk keurt immers al wat tegen het leven zelf ingaat ten stelligste af. Het tweede Vaticaans concilie spreekt zich daarover uitdrukkelijk uit in de pastorale constitutie over de kerk in de wereld van deze tijd, waarin moord, abortus en euthanasie op één lijn worden gesteld.

De politiek daarentegen houdt niet alléén rekening met het katholieke standpunt, hoewel van een regering met een premier van katholieke huize aan het hoofd, een prudentere benadering van het probleem mocht worden verwacht. Ook in een pluriforme samenleving als de onze mag van de wetgever een bescherming van het leven, in welk stadium dan ook, worden verwacht en geen pseudo-legalisering van levensbedreigende praktijken. Daarmee wordt de gewetensnood bij een verzoek om levensbeëindiging niet kleiner, wel de morele drempel. De nabije toekomst zal ons leren, of wij inderdaad blij moeten zijn met een lastige Eerste Kamer (NRC Handelsblad, 12 februari 1993), evenals welke diplomaat op wiens matje moet komen.