De vergankelijkheid van Noord-Spanjes rijkdom

In Spanje wint de twijfel aan de voordelen van een gemeenschappelijke markt veld. Het aantal werklozen heeft een recordhoogte van drie miljoen bereikt. De crisis is vooral voelbaar in de noordelijke, vanouds industriële provincies. En het gevecht tegen "een Europa met duizend gezichten' lijkt vruchteloos.

“Bij alle ellende heeft de crisis in de scheepsbouw één voordeel opgeleverd,” zeiden de mannen in het kantoortje tegenover de ingang van de werf. “Het water is schoner geworden. De werklozen kunnen 's ochtends in hun bootje stappen om mosselen, kreeftjes en garnalen te vangen. Hele gezinnen leven tegenwoordig van die bijverdienste.”

Dat was in november, een paar dagen voor de Griekse olietanker Aegean Sea op de rotsen bij La Coruña te pletter sloeg en zijn brandende lading loosde in de baaien van Coruña en Ferrol. Sindsdien geldt er een vangstverbod voor schaal- en schelpdieren en is de stemming in het vakbondskantoor nog een paar graden somberder geworden. Het zal zeker drie jaar duren voor de mosselstand zich enigszins heeft hersteld. Maar de schadeloosstelling die de overheid aan de brodeloze vissers uitbetaalt, geldt natuurlijk niet voor de werklozen die hun emmertje 's avonds laat bij de kooplui afleverden of afgaven aan de achterdeur van een restaurant.

“Toch nog te optimistisch geweest”, zegt Juan Carballal, commissaris van de communistische vakcentrale Comisiones Obreras, en haalt moedeloos zijn schouders op. Met drie kameraden zit hij aan tafel en drinkt koffie die smaakt of hij vanochtend al zeer vroeg is gezet. Het is nu middag en door het raam is te zien hoe het zonlicht speelt over de roerloze kranen van de scheepswerf Astano. De mannen hebben gegroefde koppen en gegroefde stemmen. Alle vier zijn ze meteen na de lagere school bij Astan komen werken, net als hun vaders. Wie al familie op de werf had, had bij de sollicitatie een streepje voor. Vandaar. “In deze streek kon je kiezen tussen een miezerig bestaan op je akker of proberen aan de slag te komen bij één van de grote scheepsbouwers. Als dat lukte was je het heertje. Heel Galicië keek jaloers naar ons op. Naar de rijke arbeiders van El Ferrol. We waren een serieuze, hardwerkende gemeenschap. Er waren geen problemen met alcohol en drugs. Nu kunnen we onze kinderen alleen maar aanraden zo snel mogelijk hier weg te gaan voor ze door het nietsdoen aan lager wal raken.”

Het is een wrede grap dat juist een ramp met een olietanker het kerstfeest van El Ferrol zwart moest kleuren. “In de jaren zestig bouwden we hier de mooiste tankers van Europa”, herinneren de mannen zich. “Delegaties kwamen uit Japan om te kijken hoe we dat deden.” Inderdaad beleefde de scheepsbouw in de tweede helft van de jaren zestig gloriedagen. Spanje nam in die tijd de vierde plaats in op de wereldranglijst van scheepsproducenten en was goed voor meer dan vijf procent van de totale tonnage. Astano nam een derde deel van de hele Spaanse produktie voor zijn rekening, het bedrijf had in die tijd zo'n achtduizend man in vaste dienst. De marinewerf Bazan, aan de overkant, bood werk aan nog eens 7550 mensen. Uit Andalusië, uit Extremadura, uit Portugal moesten gastarbeiders worden aangetrokken.

Maar al vanaf 1973 werd de crisis in de scheepsbouw voelbaar; tankers werden opgelegd, prijzen op de wereldmarkt daalden met zo'n veertig procent, de produktie werd overgenomen door lage-lonenlanden in Zuid-Oost Azië. Sinds 1980 verlaten ieder jaar duizenden mensen het gebied rond de baai van El Ferrol. Terug naar hun geboortegrond, terug naar hun akker, of op weg naar een grote stad in het zuiden. In het afgelopen decennium zijn in totaal zo'n veertienduizend banen verdwenen. Zevenduizend bij Astano, Bazan en hun dochterbedrijven; de rest bij kleine ondernemingen die afhankelijk waren van de werven. Het werkloosheidscijfer in de regio ligt inmiddels ruim boven de veertig procent.

Pag 14: Doodsklokken luiden voor industrie Noord-Spanje

Natuurlijk zijn er plannen gemaakt om de tegenvallers het hoofd te bieden. Astano zou zich richten op reparaties en op de constructie van geavanceerde platforms voor olieboringen; er is er inderdaad één gebouwd maar er was geen koper voor te vinden en het ligt nog steeds op de werf voor anker. Bazan zou in samenwerking met Nederland en West-Duitsland een nieuw bevoorradingsschip, een nieuw transportschip en een nieuw fregat bouwen. Maar bijna alle projecten in deze sector zijn door defensiebezuinigingen op losse schroeven gezet. Het heeft nu slechts één schip in aanbouw en de orderportefeuille is leeg.

Bazan is al sinds 1947 een overheidsbedrijf en Astano werd dat na de eerste crisisverschijnselen, in de jaren zeventig. Bij de twee bedrijven samen werken nog maar zesenhalfduizend mensen, die het grootste deel van de dag - letterlijk - met de handen in de zakken staan. Als het aan de EG ligt, is dat snel afgelopen. De gemeenschap wil niet dat de Spaanse overheid nog langer de verliezen voor haar rekening neemt en eist verdere inkrimping, die "sanering' wordt genoemd. Maastricht is dan ook niet erg populair in El Ferrol.

“Ik denk dat we hier allang doorhebben dat de Europese eenwording slecht is voor Spanje,” zegt Juan Carballal, en zijn vrienden knikken instemmend. “Natuurlijk houd je het niet tegen en dat willen we ook niet. Maar waarom houdt die eenwording alleen maar afbraak in en komt er niets nieuws voor in de plaats?”

Het antwoord op die vraag heeft alles te maken met de curieuze geografische positie van El Ferrol. Dank zij zijn ideale ligging aan een natuurlijke haven werd het gehucht in begin van de achttiende eeuw uitverkoren om de belangrijkste marinebasis te worden aan de Atlantische Oceaan; Cadiz kreeg een dergelijke functie in het Zuiden en Cartagena voor de Levant. De oude stad is dan ook ontworpen als garnizoensplaats, met een rechthoekig stratenplan waarin alle wegen leiden naar de haven. Ook in de deelgemeente Fene, waar Astan is gevestigd, torenen de kranen en de reuzebok ver boven de daken en zelfs boven de kerktoren uit. Zo maken beide plaatsen in één oogopslag duidelijk dat ze onderworpen zijn aan een industriële monocultuur. Sinds Spanje niet meer autarkisch denkt, geeft een andere geografische eigenaardigheid voor deze regio de doorslag: El Ferrol ligt in een uithoek van Europa. In het uiterste noordwesten. In de jaren tachtig is geprobeerd met investeringssubsidies tot vijftig procent nieuwe bedrijven met nieuwe activiteiten naar het zieltogende gewest te lokken. Die pogingen hebben vrijwel geen succes gehad, omdat geen ondernemer vermocht in te zien wat het voordeel was van vestiging in de vrijwel onbereikbare periferie van Spanje. Want El Ferrol mag dan beschikken over een prachtige haven, de verbindingen over de weg en per spoor of door de lucht zijn verre van ideaal. “Je komt van hier gemakkelijker in Boston dan in Amsterdam,” beaamt de plaatselijke vakbondsleider José Sanz.

Terwijl in de "gouden driehoek' Madrid-Barcelona-Valencia buitenlandse investeerders in de tweede helft van de jaren tachtig vochten om een plekje op de industrieterreinen en in de raden van bestuur van Spaanse bedrijven, werd de neergaande lijn in Galicië dan ook nauwelijks onderbroken. “Je wordt voor vreemde dilemma's geplaatst”, zegt Sanz. “Omdat wij linkse arbeiders zijn, hadden we grote bezwaren tegen de Spaanse deelname aan de Golf-oorlog. En tegelijk voelde je twee jaar geleden bij Bazan een golf van opwinding door het bedrijf gaan: "Oorlog? Nieuwe opdrachten? Keren de oude tijden eindelijk weer?' Het was loos alarm. Er kwam geen echte oorlog in de Golf en er is nog steeds geen industriebeleid in Madrid. De vrije markt werkt hier niet. Het noorden van Spanje wordt gediscrimineerd.”

El Ferrol is uniek, maar staat niet alleen met zijn problemen. Samen met het nijvere Catalonië zorgde de Atlantische kust traditioneel voor de industriële en agrarische kracht van Spanje. Het noorden had havens, het had delfstoffen en het had water en dus groene weiden. Kolen en staal, scheepsbouw, visserij en veeteelt legden in de negentiende eeuw de basis voor de rijkste en machtigste ondernemingen van het koninkrijk. Nog altijd zijn de bankiers van Baskenland, de heren van de Banco Bilbao-Vizcaya en de Banco Santander, op financieel gebied niet te negeren. Maar in het nieuwe Europa kunnen Madrid en de Middellandse Zee-kust goedkoper worden bevoorraad vanuit Frankrijk dan vanuit de havens aan de Golf van Biskaie en de kust van Cantabrië. Na een decennium van zieltogen heeft het jaar 1992 voor de soms eeuwenoude industriën van het noorden de doodsklok geluid. De autonome regio's Galicië, Asturië, Cantabrië en Baskenland hebben een aantal problemen gemeen: Hun relatieve sterkte in Spanje, bepaald door geografische eigenaardigheden, blijkt van geen enkel belang in de context van Europa; Decennia van voorspoed hebben geleid tot een monocultuur, gekenmerkt door enkele grote bedrijven en een heleboel daarvan afhankelijke kleintjes, die bijzonder kwetsbaar is in tijden van crisis; In de afgelopen tien jaar zijn de streken langs de Atlantische oceaan van immigratiegebieden veranderd in regio's met een enorme uitstroom van bevolking, met een werkloosheidscijfer dat van ver onder het gemiddelde naar ver daarboven is geschoten; Maar dank zij hun lange industriële traditie zijn ook de vakbonden er bijzonder sterk en wordt de regering er geconfronteerd met felle acties bij iedere nieuwe maatregel; De regering is niet alleen politiek maar ook als werkgever betrokken, omdat - eerst onder Franco en later ook nog door de socialisten - noodlijdende bedrijven door de staat zijn overgenomen en ondergebracht in het Instituto Nacional de Industria, de zwaar verlieslijdende houdstermaatschappij van staatsbedrijven.

Met trots herinneren de gestaalde kaders van Astano en Bazan aan de acties die ze in het verleden tegen de beroemdste zoon van El Ferrol hebben gevoerd. Want, jazeker, Francisco Franco werd in het jaar 1892 in één van de huizen in de oude stad geboren, als zoon van een als zeer lichtzinnig bekendstaande administrateur bij de marine. Als staatshoofd placht hij zijn zomervakanties in de buurt door te brengen en bij Bazan werd als staalkaart van ambachtelijk kunnen het plezierjacht Azor voor hem gebouwd. Toch hield hij niet van de stad, waar in 1972 bij demonstraties tegen zijn bewind nog drie doden vielen en tientallen gewonden.

“In zekere zin hadden we het destijds makkelijker”, geeft José Sanz toe. “Je wist tegen wie je vocht. Die ene man. Als hij dood zou zijn, zou het allemaal beter worden. Tegen Europa valt niet te vechten. dat heeft duizend gezichten.” De huidige premier heeft één keer een tochtje met de Azor ondernomen en dat werd algemeen als een misstap gezien, als een gebrek aan gevoel voor historische symboliek. Vorig jaar is het schip aan een schroothandelaar verkocht, op voorwaarde dat hij het niet opnieuw in de vaart zou brengen. Gonzalez is nooit meer teruggeweest in El Ferrol.

De stad zou ook best een nieuwe koers willen inslaan, maar bij gebrek aan perspectief strijdt ze nog steeds met de oude middelen tegen Madrid, en nu ook tegen Europa. Maar liefst zeventien algemene stakingen beleefde de gemeente in de afgelopen tien jaar, waarbij met steun van alle politieke partijen het openbare leven geheel werd stilgelegd. Het heeft weinig indruk gemaakt, geen nieuwe investeringen afgedwongen en de inkrimpingen nauwelijks tegengehouden.

Als om dat te onderstrepen eindigen de massale demonstraties van de burgerij steeds weer op het grote plein tussen de oude stad en de met witte woonkazernes volgebouwde nieuwe wijken, waar nog altijd een groot, groen uitgeslagen ruiterstandbeeld van generaal Franco staat. De burgemeester, die een socialist is, wil het graag laten slopen, maar de marinebasis speelt ook nu nog een belangrijke rol in de gemeente en de militairen voelen niets voor het neerhalen van paard en ruiter. Galicië heeft een eigen links-nationalistische terreurbeweging, die denkt dat onafhankelijkheid een oplossing zal zijn voor de problemen van de regio en al twee keer heeft geprobeerd het standbeeld op te blazen. Beide keren ging er iets mis met de springlading. “Dat laat nu zien hoe diep we zijn gezonken”, zegt op een wintermiddag een voorbijganger, wanneer hij dit verhaal heeft verteld. “Zelfs onze terroristen verstaan hun vak niet meer.”