Angolese enclave Cabinda kan slechts van haar rijkdom dromen

De geschiedenis is niet vriendelijk geweest voor Cabinda, van origine een vorstendom dat in 1974 door Portugal als een soort bruidsschat aan het onafhankelijke Angola werd geschonken. De enclave is rijk aan olie, maar profiteert daar zelf nauwelijks van. Intussen bedreigt de Angolese burgeroorlog ook Cabinda.

CABINDA, 2 MAART. Kon de Angolese enclave Cabinda zelf de inkomsten opstrijken van de overvloedige oliebronnen voor haar kust, dan zou het gemakkelijk een van de rijkste gebieden van Afrika zijn. Vergelijkbaar in welvaart misschien met enkele Arabische oliesjeikdommen. In werkelijkheid kan Cabinda slechts van zulke rijkdommen dromen en leeft het overgrote deel van de bewoners nog steeds in grote armoede.

“We zitten hier al weer vier dagen zonder stroom”, verzucht een Cabindees in een sober houten huis even buiten het eveneens Cabinda geheten hoofdplaatsje van de enclave. Een ander weet te vertellen dat dorpjes verderop nog veelvuldiger zonder elektriciteit raken, en dat daar zelfs gebrek is aan olie.

Terwijl de Cabindezen zich verbijten over de plundering door de Angolese regering van wat ze beschouwen als hun hulpbronnen, zijn zij bovendien verwikkeld geraakt in de bloedige burgeroorlog die Angola met enige onderbrekingen al sinds 1974 in zijn greep heeft. Vele tienduizenden van de circa driehonderdduizend Cabindezen verblijven al jaren als vluchteling in de buurlanden Zaïre, Congo en Gabon.

De door de Angolese regering aangestelde gouverneur van Cabinda, Augusto da Silva Tomás, zegt over aanwijzingen te beschikken dat de oppositiebeweging UNITA van de grillige Jonas Savimbi zich nu in het oerwoud bij de Zaïrese grens opmaakt voor een grote aanval op Cabinda. Ondanks Amerikaanse waarschuwingen aan het adres van Savimbi dit niet te doen, zouden ook de olie-installaties - waarvan de meeste zich trouwens op zee bevinden - het mikpunt van zijn aanval kunnen zijn.

Enkele grote buitenlandse oliemaatschappijen, voorop het Amerikaanse Chevron, die de olie bij Cabinda in samenwerking met de tot voor kort marxistische regering winnen, is de schrik om het hart geslagen. “We hebben al plannen klaar liggen voor een eventuele evacuatie van ons personeel in Cabinda”, zegt een woordvoerster van Chevron. Op de ironie van de omstandigheid dat het Amerikaanse bedrijf wordt bedreigd door dezelfde organisatie die Washington jarenlang actief heeft gesteund, wil zij niet ingaan.

Evenmin wil zij veel kwijt over het merkwaardige feit dat de installaties van Chevron jarenlang bescherming genoten van Cubaanse troepen. “Wij hebben altijd zaken gedaan met de Angolese regering en dat is ons door Washington nooit verboden”, aldus de woordvoerster. “Wij houden ons niet met politiek bezig, wij zijn slechts een onderneming.”

De geschiedenis is niet vriendelijk geweest voor de Cabindezen. De drie oorspronkelijke vorstendommetjes in Cabinda werden eerst eeuwenlang als basis gebruikt door Portugezen, Engelsen en ook Hollandse slavenhandelaars, tegen het einde van de negentiende eeuw werd het formeel een Portugese kolonie. Het waren ook de Portugezen die, bijgestaan door buitenlandse maatschappijen zoals Chevron, begonnen met de winning van olie. De produktie is intussen gestegen tot 305.000 vaten per dag.

Diezelfde Portugezen schonken na hun Anjerrevolutie van 1974 Cabinda als een soort bruidsschat aan de nieuwe onafhankelijke staat Angola, een goede koloniale traditie zonder ook maar één Cabindees te raadplegen. Gemakshalve gingen de nieuwe Portugese regeerders voorbij aan het feit dat Cabinda zestig kilometer ten noorden van de rest van Angola ligt en daarvan wordt gescheiden door de reusachtige rivier de Congo en een strook Zaïrees grondgebied. Historisch had het gebied bovendien heel wat meer gemeen met andere buurlanden.

Het grootste deel van de Cabindezen vervloekt sindsdien in stilte de Angolese overheersing, die soms zeer hardvochtig was. Leden van de regeringspartij MPLA, meestal zelf niet uit Cabinda afkomstig, pikten de mooie baantjes in en deelden de lakens uit. Cabindezen die zich wat te openlijk tegen de Angolese uitbuiters van het wingewest Cabinda uitten, werden gevangen gezet of zelfs gedood. Halverwege de jaren tachtig kwam het nog tot een openbare executie van enkele weerbarstigen. Van tijd tot tijd zijn er dan ook vreedzame demonstraties gehouden. Vorig jaar december werd een betoging met geweld door de Angolezen beëindigd, verschillende betogers werden gedood.

Een aantal militante Cabindezen laat het echter hier niet bij en heeft de wapens opgenomen tegen de Angolezen. Het gaat om hooguit een kleine duizend strijders die zijn verenigd in het Frente de Libertacao do Enclave de Cabinda, kortweg FLEC. De eerste aanzetten tot de strijd tegen de vreemde overheersers dateren overigens al uit de Portugese tijd.

Bij het noemen van de naam FLEC beginnen de ogen van vrijwel iedere Cabindees te glinsteren van plezier. Her en der is er op de muren in het hoofdplaatsje Cabinda "Viva FLEC' gekalkt. De Cabindezen zijn trots op de daden van de guerrillaorganisaties, die op de meest onberekenbare momenten opduiken uit het regenwoud en het Angolese regime een gevoelige slag toebrengen. Vorige herfst bij voorbeeld ontvoerden en doodden leden van het FLEC de door de bevolking gehate politiechef van Cabinda. “Iedere Cabindees is in zijn hart een FLEC-aanhanger”, verklaart een burger, die anoniem wil blijven.

Inmiddels heeft het FLEC zijn aandacht ook naar buitenlanders verlegd. Vorige week pakten FLEC-strijders een Jordaanse militaire waarnemer van de VN op. Aangenomen wordt dat het FLEC over de vrijlating van de man wil onderhandelen met de VN om zo als serieuze gesprekspartner te worden aanvaard.

Op het internationale vlak heeft het FLEC tot nu toe weinig vorderingen gemaakt. Slechts niet geheel belangeloze buurlanden als Zaïre, Congo en Gabon hebben laten doorschemeren dat zij wel wat zien in een onafhankelijk Cabinda. Daarbuiten heeft zich echter nog niemand achter het FLEC geschaard.

De Angolezen piekeren er intussen niet over om zich terug te trekken. Niet minder dan negentig procent van hun buitenlandse deviezen komt uit de uitvoer van olie en daarvan levert Cabinda bijna tweederde deel. Voor de regering in Luanda is de Cabindese olie de kurk waarop haar zwaar aangeslagen economie blijft drijven, vooral nu het andere minder belangrijke oliegebied bij Soyo in handen van UNITA is gevallen. Dank zij de olievoorraden zijn internationale banken nog steeds bereid kredieten aan Angola te verlenen. Daarmee financiert Luanda vooral de kostbare oorlog tegen UNITA.

“Cabinda is en blijft Angolees”, verklaart gouverneur Da Silva met grote stelligheid. Hij wil niet uitsluiten dat er in de toekomst nog eens een speciaal statuut wordt opgesteld dat Cabinda bepaalde voorrechten geeft, maar van onafhankelijkheid kan hoe dan ook geen sprake zijn. Voor het FLEC heeft de gouverneur slechts minachting. Hij omschrijft het als een terroristische organisatie, die onderling verdeeld is en wordt gemanipuleerd door buitenlandse mogendheden, in het bijzonder het buurland Zaïre.

Heeft de regering zich de laatste paar jaar ietwat aarzelend tot de democratie bekeerd, in Cabinda geldt dit slechts in zeer beperkte mate. Een politiek comité dat enkele Cabindezen oprichtten met duidelijk separatistische sympathieën, werd snel door de regering ontbonden. De parlementsverkiezingen van september werden massaal door de Cabindezen geboycot: slechts zo'n dertien procent van het electoraat bracht zijn stem uit. “We voelen ons noch met de MPLA noch met UNITA verwant”, zegt een Cabindees, “we willen eindelijk zelf bepalen wat we doen.”