Veranderlijk

Zaterdag: het geluid van de eerste grutto op de Hollandse Kade. In een gure wind kwam het aanwaaien uit de richting van de Kockengense molen. De vogel zelf was niet te vinden. Nog altijd zoekt het oog bevestiging van wat het oor allang heeft vastgesteld.

Zondag: met de auto naar Maarn, met de trein naar Rhenen, lopend terug naar Maarn. Over de heuvelrug. Best een prettig woord om te gebruiken; het geeft die streek iets lichamelijks.

Het eerste uur liepen we door een oogverblindende sneeuwjacht. Schitterend, dat milde grijs, dat trage verdwijnen van het landschap in een dwarreling van vlokken. Het witte puntje van de staart van Rekel, zijn referentiepuntje, was nauwelijks meer te onderscheiden.

Toen hield het op. De zon brak door, al aardig warm. Meteen wemelde het overal van de vogels. Veelal zingend. Dan lijkt het of ze met knoppen worden bediend.

Aan het eind was er eigenlijk geen sneeuw meer over. Het was trouwens verder dan ik had gedacht, zeker vijfentwintig kilometer. Ik had nog wat moeten werken. Ik vond het dus wel fijn dat het verder was dan ik gedacht had.

In de auto, op de A 12, opnieuw een sneeuwbui - tien minuten hartje winter. En verderop lagen de weilanden alweer blinkend groen in de zon - tien minuten volop lente. Als een komeet gaan onze dagen voorbij, steeds hebben we het nakijken.