Twintig jaar bij de Baas

Vandaag precies twintig jaar geleden trad ik in dienst bij wat toen nog de Nederlandsche Economische Hogeschool heette.

Aanvankelijk toegerust met een ijzeren schrijftafel, zit ik nu wegens bevordering in een hogere ambtelijke schaal, achter een houten bureau. Wat is er in die twintig jaar nog meer veranderd? De studenten zijn leuker geworden met meer kritische aandacht voor de studie. Toen ik hier op 1 maart 1973 begon, was de studentencultuur nog doordrenkt van de protesthouding uit de jaren zestig: studentenverenigingen waren uit, popmuziek was in, en in plaats van tijd te vermorsen met bier drinken op de studentensociëteit, woonden veel studenten alvast samen op de studentenflat met een vriendin of vriend die ze vaak al hadden meegenomen uit hun geboortedorp.

Het was een heel introverte periode en dat bleek ook uit het gedrag van de studenten. Wie de sociëteit links laat liggen en liever met één vriend of vriendin alvast een imitatie van het huwelijk opbouwt, mist niet alleen de reactionaire excessen van de studentenverenigingen, maar ook hun positieve bijdrage: training om vlot en normaal om te gaan met een groot aantal medestudenten inclusief veel mensen die je misschien niet direct zelf zou hebben uitgezocht. Ik herinner me de studenten uit die periode dan ook als stil en teruggetrokken, bedeesd in de collegezaal, en vaak niet in staat om tijdens de pauzes tussen de colleges een conversatie met de docent gaande te houden: “Hoe gaat het met de studie?” “Dat gaat wel”. “Al plannen voor na de studie?” Student schudt het hoofd en fluistert “nog niet”.

Je hebt te doen met zulke jongelui wanneer ze later zichzelf moeten verkopen, eerst bij het solliciteren en later om carrière te maken. Intellectuelen denken vaak dat wanneer hun ideeën maar zuiver zijn, het beneden hun waardigheid is om zichzelf te "marketen'. Maar dat is een gevaarlijke vorm van hoogmoed, zeker in een tijd waarin de meeste mensen niet meer hun hele leven bij één bedrijf kunnen blijven werken.

Die introverte periode is gelukkig weer verleden tijd, want de huidige studenten zijn veel opener en socialer, zowel tegen elkaar als tegenover hun docenten. Studentenverenigingen maken een nieuwe bloeiperiode door en de beslissing om te hokken wordt - als ik me niet vergis - weer op latere leeftijd genomen. Anders dan in het verleden steken energieke studenten nu hun extra tijd liever in activiteiten die met de studie van doen hebben dan in het besturen van een gezelligheidsvereniging. De noodzaak om in vijf of zes jaar af te studeren maakt het al riskanter om carrière te maken van sociëteitscommissie naar verenigingsbestuur, maar bovendien anticiperen de studenten erop dat hun toekomstige werkgevers meer onder de indruk komen van een interessante stage bij de ABN in Rio de Janeiro, een tijdelijk verblijf aan een universiteit in Londen of Lyon, of een goed georganiseerde studiereis naar Taiwan. Goede studenten proberen zich veel meer dan vroeger te onderscheiden door zulke met de studie verbonden extra activiteiten of een extra zwaar studiepakket, terwijl een generatie terug niets mooier was dan een bestuurslidmaatschap bij het studentencorps. Ze presenteren zich ook leuker en beter, veel minder bekakt dan vroeger en doen enthousiast mee met de extra training die ik hun geef over financiële presentaties.

Over onze "klanten' hoeven wij docenten dus niet te klagen, maar de afgelopen twintig jaar hebben een duidelijke verslechtering te zien gegeven in de organisatie van het universitaire beheer. Deftig heet dat "College van Bestuur', maar het zijn gewoon ambtenaren. En ze zijn nog te incompetent om de gebouwen goed schoon te laten houden. In plaats daarvan trekken ze zich terug in een conferentiehotel om te delibereren over het "image' van hun universiteit of gaan ze met elkaar op buitenlandse excursie om eens te onderzoeken hoe het hoger onderwijs er voor staat in Zweden. Beleidsambtenaren schrijven nota's over de strategische positionering in het jaar 2000, maar ik heb nog nooit een collega wetenschapper ontmoet die gemotiveerd was om zo'n bureaucratisch braaksel te lezen. Waarom zou je ook, wanneer de klerken in het bestuursgebouw schrijven over studierichtingen waar ze niets van af weten?

Zelfs de stijl van de interne correspondentie wordt almaar dwazer, omdat ambtenaren imiteren wat zij zelf ontvangen van het ministerie in Zoetermeer. Brieven beginnen niet meer met een behoorlijke aanhef als "geachte medewerkers', maar vallen als een ambtelijke circulaire rauw met de deur in huis: “dezerzijds wordt erop gewezen dat . . .” We zien ze bij de opening van het academisch jaar, onze bestuurders, waarna ze zich weer opsluiten met hun ambtenaren in het almaar uitdijende bestuursgebouw.

Steeds meer zijn onze universiteiten de afgelopen twintig jaar gaan lijken op die in Duitsland en Frankrijk: massaal, bureaucratisch, slecht bestuurd en niet gevoelig voor de wensen van de klanten. Leken ze maar meer op de top universiteiten - zowel privaat als gesubsidieerd - in de VS waar de hoogleraren per faculteit een decaan kiezen die dan voor een paar jaar duidelijke bevoegdheden heeft. Wanneer ieder najaar Business Week de lijst publiceert met de beste Amerikaanse business schools, gaat de rangorde vergezeld van interviews met de decanen van de beste scholen. Zij zijn de interessante beleidsmakers, niet de professionele bestuurders van hun universiteiten die op het geld en de gebouwen passen. Die komen - terecht - niet eens aan het woord. Strategie en "image' horen thuis bij de faculteiten.

Na twintig jaar voortdurende ergernis is mijn conclusie dat hier alleen nog radicale chirurgie kan helpen. Geef iedere faculteit een eigen budget en een eigen bestuur met duidelijke bevoegdheden. Laat de faculteit dan boekhoudkundige en andere diensten inhuren bij de centrale administratie die zelf onder toezicht staat van het College van Decanen van de faculteiten. (Decaan Daems van de medische faculteit in Leiden lanceerde onlangs een vergelijkbaar voorstel)

Er is niets tegen professionele boekhouders, terreinopzieners en systeembeheerders. Integendeel, wetenschappelijk talent wordt verkeerd gebruikt wanneer hoogleraren zich moeten bezighouden met de financiële administratie, de gebouwen of de studentenadministratie. Maar de centrale diensten moeten eens en voor altijd ophouden met de pretentie dat zij het gezicht bepalen van de universiteit, de strategie en de verdeling van de middelen. Er zijn allang verdeelsleutels van het ministerie van onderwijs die bepalen hoeveel geld iedere faculteit krijgt, en daarna is het aan de decaan en zijn collega's om per faculteit dat geld zo verstandig mogelijk te besteden.

Gelukkig had ik de afgelopen twintig jaar veel meer te maken met de studenten dan met de bestuurders. Omdat de studenten leuker en geïnteresseerder zijn dan vroeger ben ik een tevreden mens. Maar het zou met een grote schoonmaak in de bestuursgebouwen, sterke facultaire autonomie en voor decanen duidelijke bevoegdheden voor hetzelfde geld nog zo veel beter kunnen.