Tekenen voor gesloten deuren

In een Grieks-Cyprische krant had ik gelezen dat in de Turks-Cyprische stad Famagusta een tentoonstelling was geopend van Grieks- en Turks-Cyprische kindertekeningen. De Turks-Cyprische oppositieleider Özker Özgür was bij de opening aanwezig geweest. Tevoren was dezelfde tentoonstelling in Grieks Nicosia gehouden.

Ik besloot deze expositie tot doelwit te maken van de escapade die ik naar de Turkse zone ("republiek') voorbereidde. De Griekse informatiechef had mijn bezoek reeds aangekondigd bij zijn Turkse collega. Mits men voor zonsondergang terug is, kan men vanuit de Griekse contreien de "bezette gebieden' bezoeken. Het omgekeerde is niet mogelijk - in Griekse ogen is men niet "op het eiland' als men daar is aangekomen op een "illegale', Turks-Cyprische (lucht)haven.

Om tien uur in de ochtend verschijn ik volgens afspraak bij het check-point aan de Griekse kant van de "groene lijn' die het Griekse deel van Nicosia scheidt van het Turkse, vlakbij het voormalige Ledra-hotel waar nu de Verenigde Naties zijn gevestigd. Een Griek in een hokje bekijkt het paspoort, tekent de naam op. Om halfvijf moet ik terug zijn.

Aan de Turkse kant, driehonderd meter verder, staan wat toeristen, die om binnen te komen een papiertje moeten invullen en een Cyprisch pond (bijna vier gulden) moeten betalen. Zelf krijg ik ook zo'n papier. Als beroep vul ik in "journalist' en als doel van het bezoek niet "toerisme' maar "informatie'.

Een aanwezige heer grijpt nu in, in het routinewerk van twee meisjes. De toeristen mogen meteen door, maar ik ben een geval. Er wordt over mij getelefoneerd, en na tien minuten krijg ik te horen dat er een taxi klaarstaat met een gids erin, die mij in eerste instantie naar het departement van informatie zal brengen - daar had ik immers naar gevraagd.

Ik heb er geen bezwaar tegen, maar teken wel aan dat ik de rest van de, zo korte, dag graag op eigen houtje wil circuleren, zonder gids. Naar Famagusta zou ik liefst reizen per dolmus (gezamenlijke taxi), dat is ook het goedkoopste.

Op het departement krijg ik te horen dat dit onmogelijk is. Bezoekende journalisten laat men in dit land reizen met een gids, “om het hun gemakkelijk te maken”.Mijn tegenwerping dat dit geen vergemakkelijking is, maar een belemmering om met de gewone bevolking in contact te komen, leidt tot een uitvoerig betoog van de functionaris.

De Grieken laten, zo zegt hij, nooit iemand toe uit de Turkse contreien. Aan Turkse zijde ontvangt men wel toeristen, maar voor journalisten geldt een speciale regeling. “We hebben namelijk niet zulke goede ervaringen met journalisten, vooral niet met Griekse.”

Ik repliceer dat ik geen Griekse journalist ben, en dat journalisten die onder geleide moeten optrekken de indruk moeten krijgen dat het betreffende land iets te verbergen heeft. De functionaris stelt dat Turks Cyprus niets te verbergen heeft maar dat journalisten nu eenmaal hun eigen noden en behoeften hebben en dat ze daarom voor hun eigen bestwil moeten worden begeleid - en zo discussiëren we, toenemend vinnig, nog een kwartiertje door bij een kopje Turkse koffie.

Ten slotte, nadat ik heb verteld dat ik eigenlijk helemaal geen journalistieke behoeften heb maar dat ik alleen die tentoonstelling wil zien, en nadat hij nog een telefoongesprek met een superieur heeft gevoerd, krijg ik te horen dat ik tot toerist ben bevorderd. Ik zal per dolmus mogen reizen, en de functionaris loopt met me mee om de taxichauffeur - of is dat ook een functionaris? - uit te leggen dat hij me naar de standplaats moet brengen, iets waaraan hij, zichtbaar teleurgesteld, gevolg geeft.

De dolmus-minibus is al bijna helemaal gevuld en vertrekt kort nadat ik me heb gemeld. Na een uur rijden over de vlakke weg door de groene velden worden de passagiers overal afgezet waar ze wezen willen. In Grieks Nicosia functioneert het systeem nog vloeiender: daar worden ze, na telefonische oproep, ook ieder voor zich, afgehaald. De chauffeur moet twee steden op z'n duimpje kennen, om de kortste route te kunnen afbakenen.

Te voet ga ik door de nauwe poort van de oude, ommuurde stad, waarin Gothische kerken staan uit de veertiende eeuw, toen het koninkrijk van de Lusignans hier zijn zetel had. De grote kathedraal in het centrum lijkt op elke Franse, met als vervreemdingseffect de kleine minaret die links op de linker toren is gezet. Van binnen is het nog vreemder: de tot moskee schoongewassen ruimte wekt associaties op met Saenredam.

Intussen heb ik hier en daar gevraagd naar de tentoonstelling - van affiches is geen sprake - maar niemand weet er iets van. Eén man meldt dat zij in Nicosia is. Totdat iemand vertelt waar ik haar moet zoeken: tegenover de school van de Gazi, de Veroveraar.

Zonder moeite vind ik het ranke gebouwtje, in neoklassieke stijl uitgevoerd en vroeger kennelijk door Grieken gebruikt. Nu is het genoemd naar de "Veroveraar van Famagusta'. Er tegenover is alweer een Middeleeuwse kerk, met een bordje "Art Gallery SKO' erop. Eén en ander is potdicht.

Nergens staat iets over kindertekeningen, maar enkele mannen in de buurt bevestigen dat hier zo'n tentoonstelling wordt gehouden. “Het gaat nooit open voor twee, drie uur.” Om drie uur op z'n laatst moet ik weer in de dolmus naar Nicosia zijn, dat haal ik waarschijnlijk niet.

Om kwart over twee drentel ik er nog eens langs: geen verandering. Ik moet onverrichterzake terug. In die Griekse krant stond dat het drie jaar had geduurd voordat het lukte deze tentoonstelling in de Turkse zone te houden, en nu vind ik haar dicht. De achtergrond begrijp ik wel: de opzet ervan druist te enen male in tegen de filosofie van de president van deze "republiek'. Rauf Denktas heeft van het begin af aan geijverd voor zoveel mogelijk scheiding van Grieken en Turken op het eiland. Bij de uitroeping van de onafhankelijkheid in 1960 zag ik in deze zelfde stad overal oproepen op de muren: “Turken, drinkt Turkse dranken.”

Tekenen Turkse kinderen op dit eiland anders dan Griekse, of is er juist geen verschil? Nooit zal ik het weten.