"Sluipende etnische zuivering in Vojvodina'

De Hongaarse minderheid in Vojvodina, de vroegere autonome provincie in Servië, staat bloot aan zware druk van de kant van de Serviërs: een “sluipende etnische zuivering”, aldus hun leider András Ágoston. Vooral de plannen om 140.000 Servische vluchtelingen in Vojvodina te huisvesten jagen de Hongaren schrik aan.

DEN HAAG, 1 MAART. “Het begrip "etnische zuivering' wordt doorgaans in verband gebracht met Kroatië en Bosnië. Maar niet alleen daar worden mensen verdreven om hun etnische of religieuze achtergrond. Dat gebeurt ook in Vojvodina. Alleen - niemand weet het, want bij ons komen geen bloedige excessen voor, bij ons is het een indirecte, een stille etnische zuivering, met slechts een béétje terreur. En met veel discriminatie, veel propaganda, veel druk.”

András Ágoston (1944) is jurist, hij is lang journalist geweest. Nu is hij politicus, parlementslid, hij leidt de VMDK, de Democratische Gemeenschap van Hongaren in Vojvodina, de partij van de Hongaarse minderheid in de provincie in het noorden van Servië die drie jaar geleden samen met Kosovo haar autonomie kwijtraakte en sindsdien door Servië wordt bestuurd. En het leiden van de VMDK is geen sinecure, want die Hongaarse minderheid - 345.000 zielen, veertien procent van de Vojvodijnse bevolking - staat ernstig onder druk.

Vojvodina is oud grensland, hier grensden vroeger het Habsburgse en het Ottomaanse rijk aan elkaar, zompig land, nauwelijks bevolkt tot het tweehonderd jaar geleden werd drooggelegd en de Habsburgse keizer Jozef II kolonisten uit alle hoeken van zijn veelvolkerenstaat uitnodigde er te gaan wonen. En ze kwamen: Hongaren en Duitsers, Serviërs, Kroaten, Roemenen, Slowaken, joden, Roethenen, Russen, Oekraïeners. Nog altijd is Vojvodina een etnische lappendeken waar 24 nationaliteiten wonen. De meeste Duitsers zijn eruit gegooid na de Tweede Wereldoorlog, en veel van hun Hongaarse bondgenoten eveneens. Hun plaats werd in die late jaren veertig ingenomen door Serviërs, Montenegrijnen en Kroaten, ex-partizanen die voor politieke betrouwbaarheid en betoonde dapperheid werden beloond met de ruime boerderijen van de verdrevenen.

Lang hebben die etnische groepen harmonieus samengewoond. Maar sinds het begin van de burgeroorlog in 1991 is dat drastisch veranderd, zegt András Ágoston. Het Servische nationalisme heeft Vojvodina niet gespaard. “Die etnische zuivering wordt niet verwezenlijkt met bloedbaden, maar met psychologische oorlogvoering: de Hongaren worden afgeschilderd als historische vijanden van de Serviërs, als deelnemers aan de grote samenzwering tegen het Servische volk.” Die druk heeft al duizenden Hongaren ertoe gebracht te vluchten, meestal naar Hongarije - 25.000 zijn het er zeker, maar, zegt hij, “het kunnen er ook veel meer zijn, er zijn geen exacte cijfers bekend.”

Naast die psychologische oorlogvoering is er volgens hem de gedwongen mobilisatie van Hongaarse jongeren, ze worden ingelijfd in het federale leger, een praktijk die de Hongaren angst aanjaagt: “We willen niets te maken hebben met het conflict tussen de Zuidslavische volkeren, we staan daar buiten. Er zijn al 43 Vojvodijnse Hongaren gesneuveld, en er worden er tweehonderd vermist.” Die slachtoffers zijn volgens Ágoston als soldaten van het federale leger gevallen, in Kroatië en in Bosnië. Hij geeft toe dat dat federale leger niet meer in Bosnië vecht, maar de oorlog kan zich uitbreiden. “Heeft de Joegoslavische president Cosic niet gezegd dat als de Serviërs in Krajina verder worden aangevallen, hij het federale leger naar Dalmatië stuurt?”

Maar bovenal vreest hij het plan om 140.000 Servische vluchtelingen in Vojvodina te vestigen. Er zijn er al 140.000, afkomstig uit Kroatië en Bosnië, maar zij zijn niet in de Hongaarse woongebieden van Vojvodina ondergebracht; zij zitten veelal bij hun eigen familie, zegt hij. “Die 140.000 nieuwe vluchtelingen moeten wèl in Hongaarse gebieden worden gehuisvest, en als dat gebeurt zal daar de etnische samenstelling veranderen, de huizen van die 25.000 Hongaren die zijn gevlucht worden nu al door Serviërs van buiten Vojvodina bewoond. Als dat plan doorgaat wordt ons woongebied vernietigd. Je kunt de ellende van de vluchtelingen niet aanvullen met de ellende van de minderheden.”

De Hongaren worden geïntimideerd, en de methoden liegen er niet om, zegt Ágoston: er wordt geterroriseerd, soms wordt er een handgranaat in de tuin gegooid, als onzachte wenk om te vertrekken, of er wordt door het slaapkamerraam geschoten, er wordt geschoten in de nacht en brand gesticht. “Het gebeurt dagelijks, we zijn eraan gewend.” De justitie doet niets, dat zijn Serviërs, het komt voor, zegt Ágoston, dat we zelf de daders vinden, maar gearresteerd worden die nooit. “Een jaar geleden nog was dat anders. Nu is het regel: de politie weet wie de daders zijn maar doet niets. Pas op jezelf, zeggen we, tegen onze mensen. Dat is ons motto.”

Het nationalisme is geëxplodeerd; is iets nieuws in de Vojvodina. Toen de Servische president Slobodan Milosevic in 1990 een einde maakte aan de autonomie van de Vojvodina, werd dat door heel wat Serviërs in Vojvodina betreurd, in de hoofdstad Novi Sad werden bij de verkiezingen van 1990 alleen voorstanders van de Vojvodijnse autonomie gekozen. “Dat is nu radicaal anders, bij de verkiezingen van december verloren de voorstanders van de autonomie allemaal. De Serviërs stemden massaal op Milosevic, zijn rivaal Panic kreeg bij ons de Hongaarse stemmen, nauwelijks Servische.”

Die explosie van het nationalisme wijt hij voor een belangrijk deel aan die Servische vluchtelingen uit Bosnië en Kroatië. “Met de Vojvodijnse Serviërs konden we het goed vinden, we kenden elkaar, we kenden elkaars gewoonten, er waren veel gemengde huwelijken. Maar toen de oorlog uitbrak en de vluchtelingen kwamen is iedereen geradicaliseerd, die vluchtelingen zijn veel radicaler dan de Vojvodijnse Serviërs, en zij bepalen de sfeer, de toon: gematigde Serviërs heten al gauw verraders, hun stem wordt niet meer gehoord, hun partijen zijn in december wegevaagd.” Nu vind je onder de Serviërs niemand meer die om de verloren autonomie treurt; de enige partij die nog ijvert voor het herstel van de provinciale autonomie is de mijne, de VMDK, zegt Ágoston.

Op 18 februari heeft de VMDK-voorzitter de Servische premier Sajnovic in een brief een dialoog aangeboden. Maar hij is weinig hoopvol over het effect ervan. Sajnovic is de vijfde premier in successie die hij een dialoog aanbied, de vorige vier voelden er niets voor. Als die dialoog er komt wil hij om autonomie vragen, om de beëindiging van die gedwongen mobilisatie van Hongaren en om het afzien van dat streven die vluchtelingen in Hongaarse woongebieden te vestigen. “We willen zelf zeggenschap over de besteding van de begroting van onderwijs en cultuur en de media in ons woongebied, want het is toch te gek dat de Servische minister van cultuur bepaalt wie er hoofd van een Hongaarstalige lagere school moet worden. En we willen zelfbestuur in de tien gemeenten waar Hongaren zeventig procent of meer van de bevolking uitmaken en de dertien waar ze meer dan de helft van de bevolking vormen.”

De VMDK heeft 18 zetels in het Vojvodijnse parlement, negen in het Servische en drie in het federale Joegoslavische parlement, maar staat politiek alleen. Eigen media heeft de partij niet, er is wel Hongaarstalige radio en tv en er zijn een dagblad en twee weekbladen, maar die steunen ons niet, zegt Ágoston. “Die redacties zijn uit angst om hun hachje op de hand van Milosevic of steunen de Servische oppositie.”

“Natuurlijk, het is bij ons nog niet zo erg als in Kosovo”, zegt Ágoston. “Daar hebben de Serviërs een compleet apartheidsregime gevestigd, maar de druk is overal, het percentage werklozen is onder Hongaarse jongeren twee of drie keer zo hoog als onder Serviërs, en er zijn al zeventien wetten waarmee de rechtspositie van de minderheden wordt aangetast. In de rechtspraak mogen de ze hun eigen taal niet meer gebruiken, meer dan de helft van de Hongaarse politiemannen is weg en Hongaarse burgemeesters zijn er ook niet meer. In het onderwijs durven door de psychologische druk Hongaarstalige kinderen niet meer naar Hongaarstalige scholen, Hongaarse onderwijzers die vluchten worden door Serviërs vervangen en het aantal vakken dat in het Hongaars wordt onderwezen neemt snel af.”

Ágoston hoopt op Europa. Hij toont de brieven die hij schrijft aan Vance en Owen en Hurd en al die andere leiders. “Europa moet iets doen”, zegt hij. “Europa heeft Kroatië gedwongen in zijn grondwet de rechten van de minderheden te respecteren. Europa moet Servië daar ook toe dwingen, ons bestaan wordt anders vernietigd”, zegt hij. “Europa moet niet met twee maten meten.”