Oosteuropese diplomaten volgen cursus om Westerse mores te leren

DEN HAAG, 1 MAART. Andris Viltsans is bioloog - en diplomaat. Op het ministerie van buitenlandse zaken van Letland onderhoudt hij de contacten met het GOS. “De meeste mensen op ons ministerie hebben maar weinig diplomatieke ervaring”, zegt hij.

Viltsans is een van de vijfentwintig Oosteuropeanen uit dertien landen, waaronder Albanië, Letland, Roemenië en Slowakije, die vorige week in Den Haag zijn begonnen aan een twaalf weken durende cursus diplomatie. Hij verwacht er veel van. “Letland wil graag met Europa integreren en alle contacten met het GOS willen we organiseren in de context van Europa. Deze twaalf weken zijn een unieke mogelijkheid om iets te leren over het Europese integratiebeleid.”

De cursus, officieel de Leergang voor Oosteuropese Diplomaten (LOD), is georganiseerd door het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael en moet beginnende Oosteuropese diplomaten invoeren in de Westeuropese mores. Coördinator Rick Jones: “Sommigen hebben op de universiteit van Moskou internationale betrekkingen gestudeerd, maar dat was toen ze daar nog een heel andere visie op de wereld hadden. Zij moeten nu contacten onderhouden met mensen die tot voor kort als de vijand werden beschouwd.”

Het idee ontstond in 1991, toen de toenmalige Tsjechoslowaakse minister van buitenlandse zaken J. Dienstbier bij een bezoek aan Nederland opmerkte dat de Oosteuropese landen na de omwenteling nieuwe en in de Westerse traditie opgeleide diplomaten nodig hadden. Volgens Jones ontwikkelde zich op dat moment een zelfde idee op Clingendael. “Van Oosteuropese ambassades hoorden we dat zij het belangrijk vonden dat hun nieuwe mensen in West-Europa praktische kennis opdeden over bijvoorbeeld de EG en de NAVO. In Sofia en Boedapest hebben ze vaak een te idealistische kijk op de mogelijkheden van een lidmaatschap van deze organisaties. Hier horen ze aan welke regels ze moeten voldoen en welke problemen en vertragingen er kunnen optreden.”

De eerste drie weken van de cursus, gefinancierd door het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken, blijven de cursisten op Clingendael en krijgen ze een introductie over de EG. Daarna krijgt de groep een stoomcursus Europees recht op de universiteit van Leiden. Vervolgens gaat het naar Maastricht voor een inleiding over de problemen en de toekomst van het verdrag over de Europese Unie en op de Erasmus-universiteit in Rotterdam krijgt de groep een cursus economie.

Het lesprogramma is samengesteld in overleg met ambassades van betrokken Oosteuropese landen en wordt indien nodig geactualiseerd. Na afloop van elk onderdeel kunnen de cursisten commentaar leveren. Na de lessen in Nederland maken ze een rondje langs Europese hoofdsteden en bezoeken EG-instanties, de NAVO, de Verenigde Naties en de GATT, het Europees Parlement, de WEU en OESO.

“Ons departement is constant in beweging”, zegt de Albanees Plator Kalakulla, werkzaam in Tirana op de afdeling multilaterale onderhandelingen en internationale organisaties van het ministerie van buitenlandse zaken. Zijn afdeling bestaat pas twee jaar en heeft een schrijnend tekort aan personeel. “De oude mensen, die zich hebben ingelaten met het communistische regime, gaan weg. Nieuwelingen nemen hun plaats in. Met een groot gebrek aan materiaal en een enorme kennisachterstand moeten we proberen ons land economisch, politiek en cultureel in de internationale gemeenschap te integreren. Alleen met de juiste kennis kunnen we ons land in de goede richting duwen en de aansluiting vinden met Europa.”

Het resultaat van eerdere leergangen is volgens Rick Jones duidelijk: hij ziet voormalige cursisten terug in verscheidene Westeuropese instellingen. “Sommigen zijn werkzaam bij de NAVO in Brussel, anderen op ambassades in Westeuropese landen, iemand zit als CVSE-delegatielid in Helsinki. En de meesten maken in elk geval promotie op hun ministerie.”