LILLIAN GISH 1896 - 1993; Een zwijgende ster

The Movies, Mr. Griffith and Me is de titel die Lillian Gish in 1969 aan haar autobiografie gaf. De volgorde van de drie onderwerpen typeert de bescheidenheid en dienstbaarheid van de zaterdagavond in haar woning in Manhattan overleden ster van de zwijgende film, die wel beschouwd wordt als de eerste volwassen filmactrice.

Gish' hardnekkige pogingen om haar privé-leven buiten de publiciteit te houden gaven aanleiding tot legendevorming. Zo slaat bij haar dood weer de verwarring toe over haar ware leeftijd. De meest gezaghebbende bronnen (Katz, Larousse, Honig) zijn het eens dat ze op 14 oktober 1896 geboren werd in Springfield, Ohio als de dochter van een actrice en een weinig honkvaste vader. Samen met haar anderhalf jaar jongere zusje Dorothy stond ze als kleuter al op de planken, hetgeen misschien verklaart waarom als haar geboortejaar soms 1893 genoemd wordt. In 1912 stelde een oude kennis, die inmiddels onder de naam Mary Pickford furore maakte als kinderfilmster, de beide zusters voor aan regisseur D.W. Griffith, die hen samen liet spelen in An Unseen Enemy. De eerste tien jaar van haar loopbaan trad Lillian Gish vrijwel uitsluitend op in films van Griffith, waaronder zijn klassiekers The Birth of a Nation (1915), Intolerance (1916), Hearts of the World (1918), Broken Blossoms (1919), Way Down East (1920) en Orphans of the Storm (1922). Het victoriaanse uiterlijk met porseleinen huid, geloken ogen en weelderige haardos van Lillian, die in tegenstelling tot haar zuster meestal voor tragische rollen gekozen werd, maakten van haar de eerste vrouwelijke filmicoon (Pickford was meer een populair sterretje) en naar algemeen gevonden werd, de beste actrice van de zwijgende Amerikaanse cinema. Haar bewondering voor Mr. Griffith was grenzeloos, zoals ze tot vlak voor haar dood in vele lezingen en interviews steeds opnieuw getuigde. Voor de opvatting dat hij ook haar enige grote liefde was, is zelden meer bewijsmateriaal gevonden dan het feit dat Gish nooit getrouwd is.

Een keer regisseerde Gish zichzelf en Dorothy, in Remodeling Her Husband (1920). Na de breuk met de gestaag in aanzien dalende Griffith speelde Lillian Gish in enkele belangrijke films van MGM, als Mimi in King Vidors La Bohème (1925) en in Victor Sjöströms The Scarlet Letter (1926) en The Wind (1928). Tegen die tijd moest Gish het afleggen tegen de populariteit van Greta Garbo en de komst van de door haar verafschuwde "talkies'. In de jaren dertig keerde Gish terug naar het toneel en vierde triomfen op Broadway, bij voorbeeld als Ophelia tegenover John Gielguds Hamlet.

Incidenteel bleef Gish de volgende vijf (!) decennia filmrollen vertolken, zoals in Duel in the Sun (Vidor, 1947), The Cobweb (Minnelli, 1955), Night of the Hunter (Laughton, 1955), The Comedians (Glenville, 1967) en A Wedding (Altman, 1978, voornamelijk als lijk). Haar laatste rollen speelde ze in Alan Alda's Sweet Liberty (1986) en tegenover Bette Davis in The Whales of August (Lindsay Anderson, 1987).

Als iemand recht zou hebben gehad op de uitspraak: “I am big! It's the pictures that got small!”, was het niet Gloria Swanson, maar Lillian Gish. In werkelijkheid zei Gish over haar zwijgende filmperiode: “Ons werd verteld dat we niet belangrijk waren. En dat geloofden wij.”