Karadzic bang dat Bosniërs vliegtuig van VS neerhalen; Serviërs vinden nergens pamfletten

ZVORNIK, 1 MAART. “U kunt dat misschien beter aan de Amerikaanse ambassade in Belgrado vragen”, zegt, niet zonder ironie, de Servische legerwoordvoerder in Vlasenica op de vraag waar toch in 's hemelsnaam de in de nacht van zaterdag op zondag uit Amerikaanse vliegtuigen over Oost-Bosnië neergeworpen vlugschriften zijn terechtgekomen. Het Servische garnizoen in Vlasenica is verantwoordelijk voor de belegering van de moslim-enclaves Cerska, Zepa, Srebrenica en Gorazde, en zou het dus moeten weten. Maar nee. “Het enige dat ik u kan verzekeren is dat wij geen rapporten hebben over gevonden vlugschriften”, aldus de woordvoeder, kapitein Iljic.

Wij spreken hem per telefoon vanuit de radiostudio's in Zvornik, een Bosnische stad aan de Drina, waartoe vriendelijke politieagenten ons hebben laten oversteken op voorwaarde dat we op de terugweg zouden vertellen waar de vlugschriften terecht zijn gekomen. Doorrijden naar het meer in het binnenland gelegen Vlasenica stuit op vergunningsproblemen, en lijkt ook niet zonder risiso: rondom Zvornik, waar over de brug colonnes voertuigen van de Verenigde Naties ongehinderd van en naar de moslim-steden Sarajevo en Tuzla rijden, bulderen de kanonnen.

Het strijdtoneel ligt, aan de doffe dreunen in de bergen te oordelen, waarbij zowel het afvuren als het neerkomen van granaten te horen zijn, tussen Zvornik en de moslim-enclave Cerska, waar nog nooit een hulpkonvooi is aangekomen. Op deze zonovergoten zondag is weer een VN-konvooi naar deze plaats afgelast, volgens een VN-woordvoerder in Belgrado omdat met de Servische troepen geen overeenstemming is bereikt over een aanvaardbare route voor de hulpgoederen, door deze besneeuwde, ongenaakbare bergen.

In de radiostudio blijkt, na enig rondbellen met diverse Servische instanties, dat nergens in Oost-Bosnië aan Servische zijde pamfletten zijn aangetroffen. Twee Amerikaanse vliegtuigen hebben er nochtans een miljoen uitgeworpen, waarop in de taal die vroeger Servokroatisch heette, maar nu Servisch of Kroatisch of zelfs Bosnisch genoemd moet worden, wordt uitgelegd dat vliegtuigen zware ladingen hulpgoederen zullen uitwerpen, waaronder men beter niet terecht kan komen. De oorlogspartijen wordt op het pamflet ook verzocht niet op de vliegtuigen te schieten - en dat alles in zowel het cyrillische als het Latijnse alfabet.

Dat op de Amerikaanse vliegtuigen niet geschoten mag worden, roept uit den treure ook "Radio S' om, de centrale radio van de Serviërs in Bosnië. Met nadruk wordt vermeld dat Servische inspecteurs in Frankfurt, vanwaar de Amerikaanse Hercules C-130-toestellen vertrekken, hebben vastgesteld dat in de hulpzendingen geen wapens verborgen zijn, en dat de president van de Serviërs in Bosnië, Radovan Karadzic, zijn goedkeuring aan de onderneming heeft gegeven. Wel is Karadzic bang dat de moslims, wie buitenlandse militaire interventie als de aantrekkelijkste volgende stap in de oorlog voorkomt, alles op alles zullen zetten om een Amerikaans toestel neer te halen en dat vervolgens de Serviërs in de schoenen te schuiven.

De van grote hoogte afgeworpen voedselpakketten en medische goederen zullen - naar wordt aangenomen - niet noodzakelijkerwijze altijd in de moslim-enclaves terechtkomen, en zijn dan ook nadrukkelijk tevens bestemd voor de Servische vinders. Maar in Zvornik lijkt dat de bevolking - bijna allen Serviërs sinds de moslims nu al zo'n elf maanden geleden onder bedreiging de wijk namen - allemaal betrekkelijk koud te laten. “Het belangrijkste is overleven”, zegt een inwoner van Zvornik.

De stad, die aan de grensrivier de Drina ligt, heeft over twee bruggen verbinding met het vredige Servië. Wel maakt Zvornik een desolate indruk: vooroorlogse verkiezingsaffiches voor moslim-president Alija Izetbegovic en zijn partij, de SDA, hangen her en der nog verblekend aan muren. Slechts het gezicht van de gehate "Alija' is onzichtbaar gemaakt met een likje verf. Winkels van moslims, ooit geplunderd, liggen nog steeds vensterloos aan de hoofdstraat. Mannen tussen zestien en zestig staan kleumend op een plein te wachten tot een vrachtwagen hen naar het front brengt. De begraafplaats achter een van de bruggen wordt gestaag iedere week met een handvol graven uitgebreid.

De Serviërs hier in Oost-Bosnië mogen dan, anders dan hun moslim-tegenstanders, minder aan honger, koude en gebrek aan medische goederen lijden, toch treft ook hen de oorlog hard - het is duidelijk zichtbaar als we in zuidwaartse richting door het dal van de Drina rijden.

Het schieten rondom Cerska, Zepa en Srebrenica is duidelijk hoorbaar, tien tot twintig kilometer verder landinwaarts. Maar ook langs de rivier zijn alle dorpen op de Bosnische oever verlaten. Want 's nachts hebben er infiltraties plaats door moslims en gruwelijke moordpartijen waaraan reeds tientallen Servische dorpelingen ten prooi zijn gevallen - een verschijnsel dat zich maanden geleden bij de verdrijving van de moslims overigens in omgekeerde richting heeft voltrokken. Aan de ruïnes van de huizen is niet te zien of die nu in de eerste, danwel de tweede fase van de strijd zijn verwoest.

Ook de Bosnisch-Servische politie op de brug naar Bratunac heeft vannacht niets gehoord, en weet van geen Amerikaanse vlugschriften. “Die zijn van kilometers hoog afgeworpen? Dan dwarrelen ze nu neer in Montenegro (honderden kilometers verderop, red.)”, meent een agent, zijn kalasjnikov bij voortduring in de aanslag houdend. Ook Servische dorpelingen hebben niets gezien, en vannacht om vijf uur, toen de Amerikanen naar eigen zeggen overkwamen, ook geen vliegtuigen gehoord. Bijna iedereen hier lijkt ervan overtuigd dat het afwerpen van de hulpgoederen slechts een truc is van de Amerikanen om de "Turken', zoals de moslims hier genoemd worden, van wapens te voorzien - geruststellende vlugschriften ten spijt.

Maar voorlopig zijn die vlugschriften misschien wel uitgeworpen, maar niet aangekomen - ook niet in de moslim-enclaves, naar Radio Sarajevo later op de dag laat weten. Slechts bij Gorazde schijnen er wat te liggen, in het niemandsland tussen de partijen. “Lijkt me ook lastig”, meent een Servische politieagent. “De moslim-enclave bij Cerska meet maar 22 vierkante kilometer.”