EDDIE CONSTANTINE 1917 - 1993; Ongekreukte macho

Zijn voornaam definieerde een genre in de jaren vijftig, toen het in de Nederlandse buurtbioscopen nog niet de gewoonte was om films onder hun originele titel te vertonen.

Eddie slaat alles, Eddie zet zich schrap, Eddie gebruikt geweld en Eddie in volle vaart waren films die boden wat ze beloofden: een Frans gangstermilieu, aantrekkelijke dames, rake klappen en bovenal het door overmatig whiskygebruik en vechtpartijen nauwelijks gekreukte macho-idool Eddie Constantine. Afgelopen donderdag overleed hij op 75-jarige leeftijd in Wiesbaden, waar hij zich met zijn derde, Duitse echtgenote teruggetrokken had.

Edward Constantinewsky werd in 1917 geboren in Los Angeles als zoon van een uit Oost-Europa afkomstige bariton. Als jongen van 19 werd Eddie naar Wenen gestuurd om bij de opera stage te lopen, maar zijn muzikale loopbaan leidde aanvankelijk slechts tot achtergrondpartijen. Na de oorlog volgde hij zijn vrouw, die bij de Ballets de Monte Carlo danste, naar Parijs en sloot daar vriendschap met Edith Piaf. In een heel ander genre bleek de zanger Constantine wel succes te kunnen oogsten, met liedjes als Bailler... dormir en Cigarettes, whisky et p'tites pépées. Een filmcarrière kon niet uitblijven, te beginnen in 1952 met La môme vert-de-gris, de eerste van een lange reeks avonturen van geheim agent Lemmy Caution, een creatie van schrijver Peter Cheney.

De ironie die Constantine in de Lemmy- en Eddie-films legde, maakte hem ook tot een favoriet van de cinefiele regisseurs. De eerste die zijn personage op een intelligente manier wist te gebruiken, was Jean-Luc Godard, die Constantine in Alphaville, une étrange aventure de Lemmy Caution (1965) een science-fictionavontuur gesitueerd tussen Brecht en Metropolis liet beleven. Vanaf dat moment zou Constantine blijven laveren tussen low-budget-werkjes (waarvan twee in Nederland, de Johnny & Rijk-flop Geen paniek en Pim de la Parra's Paul Chevrolet en de ultieme hallucinatie) en kunstfilms van alom gewaardeerde filmauteurs. Voor Godard zou hij opnieuw spelen in Allemagne neuf zéro, maar ook was hij te zien in films van Rainer Werner Fassbinder (Warnung vor einer heiligen Nutte en Die dritte Generation), Agnès Varda (Cléo de 5 à 7, Lion's Love), Juliet Berto (Neige), Mika Kaurismäki, Michel Deville, Marcel Ophüls en, ten slotte, Lars von Trier. Constantines laatste grote rol, van een Amerikaanse kolonel in Von Triers Europa, was misschien wel zijn beste. Tijdens een persconferentie op het Filmfestival Rotterdam vergat de acteur zijn ironische masker, toen hij de loftrompet begon te steken over regisseurs als Godard en Von Trier.

De tot Fransman genaturaliseerde Amerikaan was niet alleen door zijn reislust een bij uitstek Europees acteur. Filmmakers herkenden in zijn bijna parodistische presentatie van Amerikaans heldendom een gemeenschappelijke voedingsbodem voor zoiets als een Europese filmcultuur, die zich spiegelt aan onversaagde heroïek, maar daar tegelijkertijd een draai aan geeft. In dat opzicht zijn James Bond en Lemmy Caution ware peetvaders van een Europese cinema.