ARBEIDSFETISJIST DIE BLIJFT ZAAIEN

Hij weet nog hoe het voelt: acht meter springen. Ook al is het drie jaar geleden dat hij die afstand gehaald heeft. Gisteren kwalificeerde hij zich voor de wereldkampioenschappen indoor in Toronto. Maar Emiel Mellaard smacht nog altijd naar zijn oude vorm

Je kunt hem beschrijven door feiten op te sommen. Emiel Mellaard, bijna 27, verspringer, 1,89 meter lang, 80 kilo zwaar, zoon van een sportschoolhouder in Spijkenisse, getrouwd, kinderloos. Gegevens die thuishoren in officiële documenten. Voedsel voor instanties. Ze hebben een mens nooit recht gedaan.

Je kunt hem beschrijven in prestaties. Nog geen 7 meter in 1981, 7,99 meter in 1985, 8,23 meter in 1989, 7,89 in 1992. Opkomst en ondergang van een atleet in paraboolgrafiek.

Je kunt hem ook beschrijven aan de hand van uiterlijkheden. Die donkere, opgetrokken wenkbrouwen die zijn jongenshoofd iets eeuwigs smekends geven. Die verontschuldigende glimlach, die hij nooit aflegt, zelfs als hij over tegenslagen spreekt. En die gracieuze, lichte tred bij zijn aanloop, die zo sterk contrasteert met zijn zwaarmoedigheid.

Maar hoe kun je de hoop en wanhoop beschrijven van drie mislukte jaren? De vertwijfeling van een jongen bij wie altijd alles vanzelf is gegaan en die plotseling met een hevige terugslag krijgt te maken? Een terugslag, zo slepend dat hij zelf soms twijfelt aan zijn comeback.

Je kunt het je voorstellen. Proberen een vorm te geven aan zijn ervaring. Maar waar houdt de werkelijkheid op? En waar begint de interpretatie? Waar vloeit de schrijver in de beschrevene over? Alleen Mellaard heeft het meegemaakt.

Vóór de Nederlandse kampioenschappen in de zomer heeft hij serieus overwogen om te stoppen met topsport. Hij had de limiet voor Barcelona niet gehaald. Hij kampte met een knieblessure. En als dat nou de eerste rampspoed was geweest, maar hij leek er de laatste jaren wel in te grossieren. Na de vette jaren, het verloren paradijs van zorgeloze vooruitgang, werd hij steeds weer geteisterd door wisselende plagen. Dat ondermijnde ook zijn zelfvertrouwen. Alsof er een vloek op hem lag.

Was hij bij de Olympische Spelen in Seoul niet als tiende geëindigd?. Was hij een jaar later in het Haagse Houtrust Sport niet tot Europees indoorkampioen gekroond na een meesterlijke sprong van 8,23 meter? Was hij bij de Europese titelstrijd in 1990 niet eervol tweede geworden? Hij had toch bewezen dat hij tot de top behoorde. Hij had toch laten zien dat acht meter voor hem geen obstakel meer was.

Maar daarna was “het gepruts” begonnen. Zo spreekt hij over zijn prestaties van de afgelopen jaren. Eerst had hij de ziekte van Pfeiffer gekregen en het jaar daarop had hij gebroken met zijn vader, die hem al van jongsaf aan trainde. Een zware ingreep voor de toch al wankelmoedige Mellaard. Hij had zich “een wrak” gevoeld.

Vorig jaar leek hij eindelijk weer op de weg terug, onder leiding van zijn nieuwe trainer, de voormalige bondscoach Jan Willem van de Wal. Maar in mei werd hij getroffen door een knieblessure. Alweer een jaar verloren. En het leven van een topsporter is maar zo kort.

“Waar ben ik in godsnaam mee bezig”, vroeg hij zich af, terwijl zijn sportieve collega's zich op Barcelona voorbereidden. Hij kon zich toch niet tevreden stellen met sprongen van minder dan acht meter. En was het maatschappelijk nog wel verantwoord om verder te gaan? Zijn sponsors haakten af, wedstrijdorganisatoren stonden ook niet meer te dringen. Hij kon het ze onmogelijk kwalijk nemen. Maar moest hij echt weer van voor af aan beginnen? Als een nieuweling?

Misschien omdat hij zich nog zo goed de sensatie herinnert van het acht meter springen. Misschien omdat hij niet kan geloven dat die tijden van weleer voorgoed voorbij zijn. Misschien omdat hij de schande van het opgeven niet verdraagt. In elk geval geeft hij zichzelf nog één seizoen om terug te komen. Een laatste kans.

Wat het makkelijker maakte om toch weer door te gaan, was dat hij dit seizoen samen met zijn eeuwige rivaal Frans Maas kon trainen. Allebei hadden ze een beroerde periode achter de rug. Allebei hadden ze behoefte aan nieuwe trainingsprikkels. Hun trainers bereikten al in augustus overeenstemming over een gezamenlijke trainingsaanpak. Peter van Wijk, de bondscoördinator verspringen en al elf jaar coach van Frans Maas. Rien Mellaard, naar wie de zoon toch weer was teruggekeerd.

Een verademing, zegt Mellaard, om niet meer “alleen op de baan te staan samen met een paar konijnen”. Een openbaring ook om je aan de ander op te kunnen trekken. Ze stimuleren en corrigeren elkaar.

Peter van Wijk zegt dat Maas van Mellaard geleerd heeft om heel precies de balk te treffen. Die afzet van Mellaard is ongeëvenaard. En Mellaard heeft van Maas geleerd op tijd gas terug te nemen. “Want atleten zijn vaak arbeidsfetisjisten. Ze voelen zich schuldig als ze niets doen.” Die manische werkzucht heeft Mellaard al vaker de das omgedaan. Of zoals vader Mellaard het uitdrukt: “Wie zaait zal oogsten, zegt de bijbel. Maar Emiel blijft maar zaaien. Hij komt aan oogsten nooit toe.”

Eind december kreeg Mellaard weer last van zijn oude knieblessure. Een nieuwe domper. Maar hij weigerde om de training af te breken. Hij kon alleen niet springen. Voor een verspringer toch essentieel. Hij mocht zijn nieuwe sponsors - de Rotterdamse Sportstichting en Asics - toch niet teleurstellen? En hoe kon hij zich ooit in de buitenlucht manifesteren als hij de mondiale indoorstrijd in Toronto miste? Voor de wedstrijdorganisatoren geldt Toronto als atletenbeurs.

Hij wil niet meer zeuren over zijn knie. “Want als verspringer ben je nooit zonder pijn.” In elk geval had hij er nog last van bij wedstrijden in Zwolle en Sindelfingen. Maar in Gent voelde hij zich voor het eerst weer als vanouds. Daar sprong hij ook weer bijna acht meter. Al had hij daar niks aan: een foute afzet. Die sprongen werden ongeldig verklaard. De Nederlands indoorkampioenschappen van afgelopen weekeinde in Den Haag waren voor Mellaard dus de allerlaatste kans op plaatsing voor Toronto. Zijn trainingsmaatje Maas had zich met een sprong van 7,95 meter in Stuttgart al ruimschoots gekwalificeerd.

Tweeënhalve uur voor de start van het verspringen kwamen Maas en Mellaard samen met hun echtgenotes en trainers bij elkaar. De toon was opzettelijk luchtig. De spanning mocht niet te hoog worden opgebouwd. Een uur later scheidden zich de wegen van het zestal. De twee verspringers gingen zich inlopen, hun trainers namen strategische posities in op de tribune. De echtgenotes verbeten verderop hun zenuwen.

Van Wijk had tevoren gezegd waarop hij zou letten. Als Frans Maas ook die laatste vier, vijf passen voluit zou gaan, niet zou verslappen, dan was hij in vorm. Hetzelfde gold voor Mellaard als hij die laatste passen zijn schouders niet zou optrekken, niet zou verkrampen. Dan haalde hij de limiet van 7,85 meter moeiteloos.

Maar Mellaard kon niet genoeg ontspannen. Terwijl hij het juist van zijn ontspannen, lichte tred moet hebben. Zoveel gedachten die door zijn hoofd vonkten. Hij kon onmogelijk blijven zitten. Als een gekooid beest liep hij over het middenterrein.

Angst, wist Mellaard. “Angst”, zei ook zijn vader. Angst voor pijn, voor een nieuwe deceptie. “Als ik de limiet niet haalde, zou ik weer een stukje verder wegzakken”, verwoordde Mellaard zijn vrees. Zijn vader sprak hem over de betrekkelijkheid van levensdoelen. Daarbij dacht hij aan zijn dochter die zaterdag moeder was geworden en aan zijn broer die op diezelfde dag zijn vrouw had verloren. Dat sterfgeval had hij voor zijn zoon verzwegen. Hij wilde Emiel niet nog eens extra belasten. Voor Emiel had de limiet niets betrekkelijks.

Op karakter, op vechtlust voldeed Mellaard bij zijn vierde sprong dan toch nog aan de kwalificatie-norm van 7,85 meter. Niet op souplesse. Maar hij was allang blij dat hij in Toronto niet hoeft te ontbreken. Hij wist ook wel dat zijn techniek nog niet perfect was. “Nog maar vijftien centimeter verwijderd van de acht meter”, zei hij met zelfspot en een van pijn vertrokken glimlach. “Ik ben op de goede weg.”