Zo was het

Dat "doei' is natuurlijk het ergste. "Doeie'... Zoiets moet je dan niet zeggen, want het is even vriendelijk gemeend als indertijd "nou dààààg'. Maar daar bleef het dan niet bij. Je ouders zeiden of je niet netjes "dag mevrouw' kon zeggen. “Wat is dat”, vroegen onze opvoeders, “wat is dat "nou dag', hoe haal je het in je hoofd.”

Het hoorde bij dezelfde afdeling als een hand geven. Helaas heeft de handkus het in Nederland nooit wezenlijk gehaald. Dat was iets te zwierig voor de lage landen bij de zee.

Zo hebben ze, momenteel, ook allemaal een lijf. Vroeger had men een lichaam, dat heel mooi kon zijn evenals dat fraaie Nederlandse woord. Er waren zeker ook wel blijf-van-mijn-lijvers, maar dat was nog geen openbaar onderwerp van gesprek. En er waren mensen met een lijf-spreuk, een star soort volk, dat de lijf-spreuk te pas en te onpas uit de kast haalde.

Momenteel heeft ook niemand meer een plaats maar een plek. Ik ga naar mijn plek, zeggen ze dan en mij klinkt dat dan toch wat viezig in de oren maar dat ligt niet aan de plekkers maar aan mij, want ik ga nog altijd naar mijn plaats. Tenminste als die er is. Want ze zeggen nog wel die plaats is vrij. Of die plaats is bezet. Meestal het laatste.

En dan gaan ze rond de tafel zitten. Steeds maar weer zitten ze rond de tafel, niet om halma te spelen of ganzebord, maar om de gang van zaken te bespreken in het bedrijf, in de club of in het land. Uren, ja dagenlang, zitten ze rond de tafel en hangen mogen ze niet, want de televisie is er zó bij. Hoe dat vroeger was, weet ik niet, wel dat er geen televisie was en niemand iemand had die zei dat het haar anders moest en dat die das niet meer kòn. Er kan heel veel niet meer en als je net zo ver bent dat je weet wat niet meer kan, kan er allang weer iets anders niet. Men zei: “dat is waar”. Of men zei: “Dat ben ik niet met je eens.” Zelden werd er gezegd: “dat klopt”. Tegenwoordig klopt alles. Of het klopt niet, maar het heeft niets te maken met een klopgeest die tegen de muur zit te bonken. Als je, in een grijs verleden, tot de ontdekking kwam dat iemand iets beweerde waar je het geheel mee eens was, speelde er iets van vreugde door je heen. Dat klopt, juichte je dan. Nu klopt alles. Het woordje "dat' wordt zelfs vaak geëlimineerd. "Klopt' zeggen ze dan en iedereen is tevreden.

In het Nederland van boven de rivieren at men vroeger de warme maaltijd tussen zes en zeven. Iedereen at tussen zes en zeven en om kwart over zeven kon de telefoon weer overgaan.

Ook deze gewoonte is van de kaart verdwenen. In het ene gezin eet men om half zes, want Jaap moet hockeyen. In het andere gezin eet men om half negen, want Jaap was hockeyen. Dit is voor de gewetensvollen, die niet willen storen, een probleem. Diegenen met een meer dan groot invoelend vermogen, informeren of zij misschien storen. Maar de meesten steken onbekommerd van wal. Voor de alleenwonenden is dat zo erg niet, de boel wordt wel koud, maar komaan. Maar voor diegenen die met meerderen aan tafel zitten is het storend. Dan is òf de opbeller, die men dat aan het verstand tracht te brengen, beledigd. Of de aan tafel zittenden roepen wat had die man nu weer. Een en ander wordt nog versterkt door de goedkopere tarieven na zes uur 's avonds. Zó giet je de aardappels af, zó is er een armoedzaaier aan de lijn, die het dagtarief als bedreigend ervaart voor zijn bestedingspatroon. Dat was, in de jaren dat iedereen tussen 6-7 at, geen probleem. De telefoon belde niet en de baby's huilden. Niemand haalde zo een huilende baby uit de wieg. Alles op zijn tijd. Ook de borstvoeding, die in de eenzaamheid van een stille kamer werd gegeven. En niet, gedurende de pudding, aan tafel bij tante.