Z A P!; JOURNALISTIEK IN HET TIJDPERK VAN DE VIDEO-OORLOG

War and Television door Bruce Cummings 309 blz., geïll., Verso 1992, f 75,60 ISBN 0 86091 374 0

Hotel Warriors. Covering the Gulf War door John J. Fialka 72 blz., geïll., The Woodrow Wilson Center Press 1991, f 28,00 ISBN 0 943875 40 4

War and the Media. Propaganda and Persuasion in the Gulf War door Philip M. Taylor 338 blz., Manchester University Press 1992, f 34,25 ISBN 0 7190 3754 9

Militairen en politici willen in oorlogstijd maar één ding: de vijand verslaan. Daarom wantrouwen zij journalisten. Die willen ook maar één ding: de Pulitzer-prijs winnen. Althans, ze willen kunnen berichten over wat er werkelijk gebeurt. Maar daarmee kunnen journalisten ook geheimen prijsgeven en de publieke opinie beïnvloeden. Van de vijand kun je op aan, denken de militairen, verslaggevers zijn onvoorspelbaar. Daarom worden ze gewantrouwd.

Politici en militairen hebben altijd getracht het risico van de journalistiek te beperken met propaganda, chantage, leugens en censuur - dit alles in verschillende gradaties van subtiliteit. De geschiedenis hiervan is te vinden in Phillip Knightleys The First Casualty, waarvan de titel verwijst naar de uitspraak uit 1917 van de Amerikaanse senator Hiram Johnson, dat in elke oorlog de waarheid als eerste sneuvelt.

Journalisten pogen op hun beurt altijd hun onafhankelijkheid te verdedigen. Soms slagen zij daarin, maar meestal niet, omdat de omstandigheden van oorlog de verhouding van een journalist tot zijn onderwerp beïnvloeden. Hoe onbevooroordeeld kan hij zijn wanneer hij voor zijn overleving afhankelijk is van de soldaten die hij beschrijft? Wanneer die soldaten landgenoten zijn, moet de journalist dan zijn land dienen - right or wrong my country - of de waarheid, ook al is die pijnlijk voor de nationale trots? En: heeft het publiek in oorlogstijd eigenlijk wel behoefte aan distantie?

De Golf-oorlog van 1990/'91 - de wapenstilstand is dezer dagen twee jaar geleden - betekende wat dit betreft weinig nieuws onder de zon: in de driehoeksverhouding tussen de officiële oorlogsmachinerie, de journalistiek en het publiek traden de bekende spanningen op. En tóch overheerst in de talloze studies, essays, memoires en symposiumverslagen die ondertussen zijn verschenen de indruk dat de Golf-oorlog het begin van een nieuw tijdperk was.

Waarom? Voor de Verenigde Staten was het de grootste militaire onderneming sinds de interventie in Vietnam. Dat was een van de meest "openbare' oorlogen uit de geschiedenis. Journalisten hadden er ongelimiteerd toegang tot het slagveld en konden over de oorlog naar buiten brengen wat ze wilden, tot in het gruwelijkste detail. Na de smadelijke aftocht uit Saigon in 1975 groeide het besef bij veel Amerikaanse militairen en overheidsfunctionarissen dat journalisten die vrijheden misbruikt hebben.

VOLSTREKT AFHANKELIJK

Daarom werd de strijd tegen Irak geen "openbare' maar een "geregisseerde' oorlog: de journalisten waren voor hun nieuws van begin tot eind volstrekt afhankelijk van wat militairen en politici hen aanboden. Een diepgravende studie naar de werking van dat systeem van officiële nieuwsvoorziening is het boek War and the Media. Propaganda and Persuasion in the Gulf War van de Britse media-historicus Philip Taylor. Tijdens de Golf-oorlog legde zijn instituut aan de Universiteit van Leeds alles op videoband vast wat CNN, de twee BBC-kanalen en de commerciële stations ITV, Channel 4 en Sky-television over de gebeurtenissen uitzonden - in totaal meer dan 10.500 uur. Zo kon Taylor verschillende berichten over dezelfde gebeurtenissen onderling en met latere gegevens vergelijken.

In War and the Media worden enkele incidenten belicht die met elkaar gemeen hebben dat zij de officiële "media managers' uit balans brachten, waardoor ze zich in de kaart lieten kijken. Het eerste is de Iraakse tegenaanval op 29 januari 1991 bij het Saoedische stadje Khafji. Het effect daarvan zou generaal Schwarzkopf later afdoen als ""minder dan een muggebeet voor een olifant', maar die aanval zette de geallieerden wel degelijk dagenlang op het verkeerde been. Vooral omdat de tegenaanval helemaal niet kon plaatsvinden als alle bombardementen op de Iraakse tankdivisies zo effectief waren geweest als werd beweerd.

"Kahfji' was onwelkom, allereerst omdat de geallieerden na aanvankelijk ontkennen uiteindelijk moesten toegeven dat de Saoedische soldaten zich hadden moeten terugtrekken om het vechten aan de Amerikaanse mariniers over te laten. Ten tweede bleek de herovering geen sinecure te zijn. Daarbij werden twaalf mariniers gedood, de eerste geallieerde doden (naar pas later bleek door Amerikaans vuur). Het voorval was ook onwelkom omdat het geen incident bleek, maar deel uitmaakte van een Iraaks offensief langs de hele grens, waaraan 60.000 soldaten en duizend voertuigen deelnamen. Geruime tijd was niet zeker in hoeverre die "uitbraakpoging' tot staan was gebracht.

ONWELKOME FEITEN

Maar misschien was "Khafji' vooral onwelkom omdat de tegenaanval het officiële informatiesysteem voor schut zette: ondernemende journalisten, niet in de laatste plaats de paar zogeheten unilaterals, die buiten het officiële pool-systeem opereerden, brachten de onwelkome feiten aan het licht.

Een ander incident dat Taylor in zijn boek behandelt, is het Amerikaanse bombardement van 13 februari 1991 op de bunker in Amiriya, een buitenwijk van Bagdad, waarbij honderden Iraakse burgers werden gedood. Nadat de beelden daarvan de wereld rondgingen, konden de geallieerden moeilijk meer volhouden dat ze burgerdoelen trachtten te sparen. De Amerikaanse woordvoerders vluchtten naar voren: zij hielden vol dat Amiriya wel degelijk een militaire commandocentrale had geherbergd, in weerwil van verschillende westerse ooggetuigen die daarvan geen enkel spoor vonden. Later liet het Pentagon doorschemeren dat Saddam er die nacht was geweest. Hoge militairen suggereerden live op de televisie dat de Irakezen willens en wetens burgers in de kelder hadden ondergebracht om een schandaal uit te lokken en de Amerikanen in diskrediet te brengen.

Nog steeds is over "Amiriya' het laatste woord niet gezegd. Het Pentagon heeft het bewijs voor zijn versie van de toedracht nooit willen prijsgeven. Vorig jaar circuleerde in militaire kring een ontnuchterende lezing: in het begin van de oorlog was de bunker wel degelijk een militair object, maar van gering belang en daarom onderaan de lijst van doelwitten gezet. Toen "Amiriya' aan de beurt was, had niemand meer de moeite genomen te controleren of de eerdere gegevens nog klopten.

Taylors conclusie is weinig opwekkend: niet alleen manipuleerden de militairen tijdens de Golfoorlog als vanouds met de waarheid, maar de journalisten trapten daar vaak blindelings in. Hun zucht naar "sound-bites', pasklare nieuws-itempjes, en verkoopbare beelden overheerste hun verlangen naar de werkelijkheid. Alleen de tegen de stroom in opererende unilaterals, die voortdurend uitzetting riskeerden, probeerden de standaarden van hun metier hoog te houden.

Overigens leeft de redenering dat de pers schuldig was aan het debâcle in Vietnam ook in andere landen. Toen Groot-Brittannië in 1982 met Argentinië in oorlog raakte om de Falkland-eilanden, werden slechts zeventien (Britse) journalisten toegelaten tot de task force die de archipel moest heroveren. Die hadden geen andere keus dan zich neer te leggen bij de regels die het ministerie van defensie dicteerde. En die bepaalde simpelweg welke informatie wel en niet gebruikt mocht worden.

Bovendien waren de journalisten in dit tijdperk van vóór de "draagbare' apparatuur voor satellietcommunicatie aangewezen op de officiële verbindingen om hun beelden en kopij naar de thuisbasis te verzenden. De overheid maakte daar dankbaar gebruik van door onwelkom nieuws te verdonkeremanen of op te houden tot een moment dat haar beter schikte. De opzet lukte: voor het Britse thuisfront werd de Falkland-oorlog een bijna smetteloos succesverhaal. Pas later, veel later konden er vragen worden gesteld over de torpedering van de Belgrano, en over geruchten over standrechtelijke executies van krijgsgevangen.

GOEDE OORLOG

De Amerikanen leerden op hun beurt van de Britse ervaringen in de Falkland-oorlog. Bij de grootste militaire inspanning sinds Vietnam hoorde daarom van meet af aan een totaal media management, die moest voorkomen dat er lijken te zien waren. Vietnam-veteraan Norman Schwarzkopf was vastbesloten operatie "Desert Storm' niet uit te voeren ""met één hand op de rug gebonden' zoals in Azië. Evenals in de Falkland-oorlog moest het tijdens de Golf-oorlog moeilijk of onmogelijk zijn het officiële beeld te vergelijken met onafhankelijke informatie of berichten van de andere partij. Dit zou en moest een goede oorlog worden.

Van de 1.500 journalisten die neerstreken in Saoedie-Arabië kregen er aanvankelijk slechts vijftig en later tegen de tweehonderd een plaats in een zogeheten pool: een "nieuws-eenheid' met een beperkt aantal plaatsen, waarin overigens alleen Amerikaanse verslaggevers een plek konden krijgen. Er waren aparte pools voor fotografen, radio-, televisie- en schrijvende journalisten, die alle onder leiding stonden van leger-voorlichters. Amerikaanse tv-reporters mochten hun satellietapparatuur niet meenemen naar de troepen, maar moesten hun videocassettes óf zelf terugbrengen naar hun eigen grondstations in Dahran of Riad, óf ze meegeven aan militaire koeriers - wat soms dagen kostte en grote onzekerheid betekende. Dit systeem heette al snel de "pony express'.

Alle tv-beelden, verhalen en foto's van de pool-journalisten werden overigens na selectie en redactie beschikbaar gesteld aan andere journalisten, die merendeels doelloos in hotellobby's te Riad en Dahran rondhingen. "Hotel warriors', noemt John Fialka, verslaggever van The Wall Street Journal, ze dan ook in zijn gelijknamige verslag dat voornamelijk over het pool-systeem gaat.

Het was willekeur troef, zegt Fialka. In de officiële voorselectie kon informatie sneuvelen, omdat die de "nationale veiligheid' in gevaar heette te brengen. Maar daar bleek in praktijk ook datgene mee geblokkeerd te kunnen worden wat de censor om een andere reden onwelgevallig was, zoals de reportage over de piloten die vóór een gevechtsmissie naar een pornofilm zaten te kijken, en de beelden van een mis te velde, die werden onderschept omdat ze de Saoediërs zouden kunnen beledigen.

Bovendien was het pool-systeem contraproduktief, omdat het grote hoeveelheden werkloze journalisten creëerde, die uit arrenmoede de pool-kopij vrijmoedig bewerkten, waardoor allerlei onzin naar buiten kwam. Daarmee konden de militairen dan weer aantonen hoe weinig verstand journalisten van militaire zaken hadden.

OM ZEEP

Fialka's boek is een amusante litanie over incompetente collega's, sabotage door rancuneuze officials en een systeem dat "desintegreerde' zodra het aan het begin van de grondoorlog werkelijk op de proef werd gesteld. Toen de aanval op de Irakezen eenmaal begon, verliep de opmars zo snel dat de verbindingen tussen de journalisten in de voorste linies en Dahran goeddeels werden verbroken. Toen de eerste videobeelden in Amerika arriveerden, was het offensief al afgelopen. De militairen ""hielpen zo hun eigen geschiedschrijving om zeep', schrijft Fialka.

Hotel Warriors is ook en vooral de heetgebakerde visie van één Amerikaan, waartegen de ervaringen van anderen, bijvoorbeeld de Britse pers, afgezet moeten worden. Ook de Britten hadden van de Falkland-oorlog geleerd, namelijk hoe het niet moest. In de Golf beseften zij dat pools het minste van alle kwaden waren. Maar zij werkten strakke ground rules uit zonder militaire censuur en zo konden Britse reporters aan het front wel beschikken over hun eigen satellietverbindingen. Zo onstond een ""aanvaardbare werkrelatie', verklaarden Britse militairen en journalisten na de oorlog eendrachtig.

In de Verenigde Staten lijkt het televisie-beeld de journalistieke werkelijkheid volkomen overbodig te hebben gemaakt. Tijdens de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1992 prees de toenmalige kandidaat Bill Clinton de wapens die zijn land had gebruikt in de Golf: ""Wij hebben allemaal kunnen zien hoe de Patriot-raketten door schoorstenen naar binnen vlogen'. Dat was een vergissing - de Patriot is een luchtdoelraket, die werd gebruikt tegen Iraakse Scud-raketten.

Dan Quayle, vice-president tijdens de Golf-oorlog, trachtte Clintons vergissing daarop uit te buiten. Clinton is ""ten ene male ongeschikt als opperbevelhebber van het leger', betoogde Quayle, want ""hij weet niet eens het verschil tussen een Patriot en een kruisraket.'

Helaas zat ook Quayle ernaast; het wapen dat voor de ogen van de hele wereld door een luchtschacht het Iraakse ministerie van defensie naar binnen was gevlogen, was ook geen kruisraket maar een laser-geleide bom, met een televisiecamera in de neus, waarvan de beelden waren vastgelegd door een videorecorder aan boord van het vliegtuig dat de bom had laten vallen.

NACHT EN ONTIJ

Politici hebben weinig kennis van militaire technologie, is de eerste conclusie. Maar de tweetraps-vergissing van Clinton en Quayle maakt nog iets duidelijk: details doen er in feite niet toe. Patriots, kruisraketten, Stealth-vliegtuigen en lasergeleide smart bombs zijn in de Golf-oorlog synoniem geworden; voor de burger ze zijn onderling verwisselbaar. Televisie-beelden zijn het, beter dan de werkelijkheid, en beter dan alle abstracte, want ongebruikte kernwapens bij elkaar. De televisie-beelden bevestigden ook de superioriteit van de enig overgebleven supermacht. Ze staan, zo blijkt, voor het vermogen om elk gewenst doelwit desnoods bij nacht en ontij in een fractie van een seconde te vernietigen zonder dat er soldaten met modderschoenen aan te pas moeten komen, maar met een druk op de knop van de afstandbediening. Zap!

Inmiddels weten we dat het wapentuig uit de Golfoorlog lang niet zo trefzeker was als werd gesuggereerd. In maart 1991, een maand na de wapenstilstand, maakte het Pentagon terloops bekend dat zeventig procent van de in totaal 88.500 ton afgeworpen explosieven zijn doel had gemist. Alle aandacht was tot dan toe uitgegaan naar de "slimme bommen', die slechts zeven procent (6.200 ton) van het totaal vertegenwoordigden, en overigens in ten minste tien procent van de gevallen naast de roos terechtkwamen. Daar had vrijwel niemand eerder naar gevraagd.

Het Pentagon kon de journalisten zijn onbevlekte voorstelling van zaken geven, omdat het een nieuw soort oorlog was, waarin infanteristen geen dominante rol speelden. In de eerste fase, die van het luchtoffensief (van 16 januari tot 23 februari) ontbrak per definitie wat de beroemde oorlogsverslaggeefster Martha Gellhorn ""the view from the ground' noemt. De verslaggevers werden daarmee een prooi van hun eigen nieuwshonger, en van de voorlichters, die hen voerden met zorgvuldig geselecteerde en voorbewerkte informatie, waaronder geretoucheerde satellietfoto's en videobeelden die van de oorlog een spelletje Nintendo leken te maken. Bij gebrek aan andere informatie werden deze beelden grif geslikt maar, is later opgemerkt, het was ""de journalistieke pendant van een suikerspin - zoet maar zonder substantie.'

GEDACHTEN

De Amerikaanse historicus Bruce Cummings schrijft in zijn boek War and Television dat de Golf-oorlog daarom in feite ""nooit heeft plaatsgehad': ""Memory cannot form amid the unseen'. Cummings levert, net als zijn geestverwant, de Franse "postmoderne filosoof' Paul Virilio in zijn ophefmakende "dagboek' lÉcran du désert uit 1991, zware kritiek op de (Amerikaanse) journalistiek, die gedachteloos de officiële lijn onderschreef, dissidente stemmen weerde en zich niet voor enige historische context interesseerde.

Maar tegelijkertijd zijn beiden mateloos gefascineerd door de televisie als fenomeen. Veel van de "wonderwapens' uit de Golf-oorlog waren al ten minste tien jaar operationeel, maar de televisie maakte ze voor het eerst van nabij zichtbaar: ""Zo verschafte het Pentagon zich direct toegang tot de huiskamer.'

De videobom is ""wapen, beeld, nieuws, spektakel en een advertentie voor het Pentagon in één', schrijft Cummings. De "consument' ziet hetzelfde als wat de "soldaat' ziet; tussen die twee beeldschermen bestaan niet langer filters, tijd en bewerkingen, ze vloeien rechtstreeks ineen tot één halfdoorlatend membraam. Journalistieke distantie en morele oordelen zijn overbodig geworden; het nieuws heeft niet langer een "auteur', maar is onpersoonlijk geworden. Uit veel enquêtes blijkt dat kijkers die beelden identificeerden met "de waarheid'.

De Golf-oorlog is ""de oorlog van de toekomst', schrijven Cummings en Virilio verontrust. Instant-televisie maakt diplomatie tot prehistorie, camera's in satellieten waken immers overal en geven de militairen instant-almacht. De journalist zal uitsterven.

Ook Taylor is verontrust over de nieuwe "media-orde', die in de Derde wereld wel de indruk moet wekken dat het westen zijn wil kan opleggen, zowel met superieure wapens, als door het oordeel daarover te dicteren door zijn invloed op nieuwsorganisaties. Dat liberaal-democratische landen kennelijk zeer gemakkelijk bereid zijn het "recht op informatie' op te schorten, vervult hem met verontrusting.

Toch is het de vraag of Golf-oorlogen de norm zullen worden, want waar ligt de woestijn waar een geallieerde coalitie opnieuw zo relatief ongestoord zijn gang kan gaan? En almachtig is de wapentechnologie in elk geval niet, zo tonen de recente aanvallen op doelen in Irak aan. Ook de journalisten hebben inmiddels geleerd van hun mistasten. In ieder geval krijgen zij voortaan, volgens de nieuwe regels die nu worden uitgewerkt met het Pentagon, een betere zitplaats.

Pagina Z1 en Z2