VOC

Oost-Indië gespiegeld. Nicolaas de Graaff, een schrijvend chirurgijn in dienst van de VOC door M. Barend-van Haeften 279 blz., geïll., Walburg Pers 1992, f 49,50 ISBN 90 6011 8243

De Holle Compagnie. Smokkel en legale handel onder Zuidnederlandse vlag in Bengalen, ca. 1720-1744 door J. Parmentier 96 blz., Verloren 1992, f 25,-- ISBN 90 6550 1118

Nicolaas de Graaff (1619-1688) was chirurgijn, gereformeerd VOC-dienaar, landmeter en tekenaar, maar geen begaafd schrijver. De Reisen van Nicolaus de Graaff, na de vier gedeeltens des werelds en diens Oost-Indise Spiegel (1701; herdruk 1704; een Franse editie in 1719) zijn nu voor historici wel een informatieve bron maar werden indertijd geen bestseller, zoals bijvoorbeeld de Giro del Mondo van De Graaffs tijdgenoot Gemelli Careri. De Graaff maakte tussen 1640 en 1687 zestien reizen naar de vier windstreken (waarvan vijf naar de Oost). Met behulp van een vrij clichématige woordenschat, zoals die eigenlijk nog steeds in zwang is bij de gemiddelde reiziger, beschrijft hij de bezienswaardigheden. Vooral India, Ceylon en Batavia krijgen veel aandacht.

Tegenwoordig staan zijn beschrijvingen bij mensen met interesse voor de VOC weer in de belangstelling - en terecht. De passages over het dagelijks leven van compagniedienaren in Bengalen en Batavia zijn nog steeds de moeite waard. De vraag is echter hoe betrouwbaar en authentiek De Graaff was. Alle literatuurtheoretische contemplaties over het egodocument als historische bron ten spijt, komt de discussie over de betrouwbaarheid van dit soort bronnenmateriaal neer op Pressers realistische visie dat de door een schrijver gepubliceerde history soms meer his story biedt; de kwestie is alleen op welke plaatsen in de tekst die transformatie plaats heeft. De Graaff speelde, net als vele andere reisschrijvers, intensief leentjebuur bij vroegere auteurs; informatie van "horen zeggen' was ook bruikbaar.

Het was een goed idee van de neerlandica M. Barend-van Haeften om haar dissertatie aan Nicolaas de Graaff te wijden, maar een meer kritische en analytische aanpak van de historische context waarin hij leefde zou haar Oost-Indië gespiegeld geen kwaad hebben gedaan. Zo toont Barend als het gaat om particuliere ondernemingslust van VOC-dienaren een nogal naëve visie op het dagelijks bestaan van Europeanen in de Oost. Haar taalgebruik over dit voor de meesten financieel noodzakelijke, en zelfs voor de Compagnie op den duur niet ongunstige, individuele entrepreneurschap blijft bijvoorbeeld geheel in de ban van de domineestaal van De Graaff. Wel aardig in het boek is de vele aandacht voor de positie van vrouwen in Batavia (de meeste "Indische meisjes' hadden volgens De Graaff ""een slag van de meulen weg'').

Hoewel feitelijke gegevens in het relaas van De Graaff zoveel mogelijk door Barend zijn geverifieerd en waar nodig gecorrigeerd, ontsnapt haar eigen boek niet aan een enkele slordigheid. Zo zijn spellingversies van nog steeds bestaande plaatsnamen van De Graaff overgenomen, ook wanneer een goede (historische) atlas eenvoudig uitkomst had kunnen bieden: "Cassamabassar' moet bijvoorbeeld Cassimbazar zijn, "Moxedebat' heet Murshidabad, en "Pattena' moet Patna zijn.

Net als in Oost-Indië gespiegeld staat in De Holle Compagnie van de Gentse historicus J. Parmentier de VOC-vestiging in Bengalen centraal. Bengalen was een textielcentrum, opiumhandelsparadijs en de "economische slagader van de Aziatische handel' van de Europeanen in de 18de eeuw. Het werk van Parmentier stoelt op grondig en veelzijdig archiefonderzoek en is compacter van presentatie dan de studie over De Graaff die vrijwel uitsluitend op gedrukte bronnen steunt.

In de 18de eeuw gaven in Bengalen op commercieel gebied naast de inheemse handel, de Nederlandse, Engelse en Franse handelscompagnieën de toon aan. Tussen 1720 en 1744 speelde de Zuidnederlandse Oost-endse Cie een opmerkelijke rol. Parmentier toont de lezer een onthullend kijkje achter de schermen van de officiële activiteiten van deze Europese ondernemingen. Hij voert daartoe een drietal (part-time) vrijbuiters ten tonele: de Zuidnederlander De François de Schonamille (Oostendse Compagnie), de Nederlander Jan Albert Sichterman (VOC) en de Fransman Joseph-François Dupleix (Franse Compagnie). Deze drie heren namen deel aan de zeer winstgevende particuliere intra-Aziatische handel. Het gewin werd via de financiële kanalen van de diverse compagnieën naar hun respectieve thuisfronten overgemaakt. Hierbij speelden de eveneens in Bengalen aanwezige Deense en Zweedse handelsondernemingen een nuttige rol. Om deze spelletjes te kunnen spelen, moesten deze compagniesdienaren over een gave Janus-kop beschikken. Een mooi voorbeeld van efficiënte Europese samenwerking avant-la-lettre.