VANAF DE BLANKE TOP DER DUINEN...

Naar het voorbeeld van het Lieux de mémoire-project van Pierre Nora verschijnt in het Zaterdags Bijvoegsel dit jaar de reeks "De Vaderlandse Herinnering'. De blanke top der duinen schittert minder dan vroeger. Als er nog sprake is van een collectieve herinnering aan het landschap, dan wordt deze vooral gevoed door nostalgie.

Vanaf de blanke top der duinen

Waar de blanke top der duinen

Schittert in den zonnegloed,

En de Noordzee vriend'lijk bruisend,

Neerlands smalle kust begroet,

Juich ik aan het vlakke strand,

'k Heb u lief mijn Nederland (bis).

In de naoorlogse jaren werd de Nederlandse schooljeugd elk jaar opgetrommeld om haar stem te lenen aan de traditionele aubade op koninginnedag. Wie ooit heeft meegedaan aan dat massale vertoon van vaderlandsliefde staat die eerste strofe van Mijn Nederland voor altijd in het geheugen gegrift. Op muziek gezet door R. Hol vormde de tekst van P. Louwerse, een onvermoeibaar producent van vaderlandslievende jeugdlectuur, een absolute topper van het "wij-gevoel'. Geschreven ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina werd Mijn Nederland al snel geselecteerd voor het Nederlands volksliederenboek en sindsdien behoorde het tot het ijzeren repertoire van de nationale volkszang.

Markeren in de eerste strofe de duinen de grens met de zee, in de tweede verglijdt de blik naar het vruchtbaar achterland: het "lachend groen der heuvels', de "rijk beladen velden' en de rivieren Rijn, Maas en Schelde die het land doorsnijden. In de laatste strofe wordt tenslotte niet zonder enig raffinement dit Hollandse landschap gekoppeld aan het huis van Oranje:

Blijf gezegend, land der Vadren,

Make u eendracht sterk en groot,

Blijve 't volk der Koninginne,

Houw en trouw in nood en dood,

Doe zoo ieder 't woord gestand:

'k Heb u lief, mijn Nederland.

Wie in de Nederlandse literatuur op zoek is naar nationaal getinte verheerlijkingen van het Hollandse landschap vindt in Mijn Nederland een specimen van het zuiverste water. In dit "volkslied' wordt immers een reeks stereotypen rond een specifiek Hollandse natuur behendig op elkaar gestapeld ter animering van het vaderlands gevoel en de oranjegezindheid.

Vaderlandsliefde is er in soorten en maten, maar het ligt voor de hand dat de eigen geboortegrond prominent aanwezig is in manifestaties van vaderlandse gevoelens. Het Hollandse landschap fungeert, in de terminologie van Pierre Nora, ook in letterlijke zin als een lieu de mémoire, die vooral in de negentiende eeuw bezoekers weet te trekken.

Voor de eerste aanzetten moeten we terug naar de laatste decennia van de achttiende eeuw: bezorgdheid om een dreigende teloorgang van de nationale identiteit brengt literatoren er toe te speculeren over de eigenheid van het Nederlandse volkskarakter en de specifieke aard van de Hollandse letterkunde.

In die discussie mengt zich ook Rhijnvis Feith met een babbelend opstel Over den smaak der Nederlanderen in de poëzij (1790). Hij kijkt daarin mee over de schouder van zijn poëzielezende natie en registreert haar leesvoorkeuren: ""Eenvouwige schilderijtjes van de Natuur, die haar omringt'', daar loopt de natie warm voor. Verheven dichtstukken als Miltons Paradise lost of Klopstocks Messias scoren bij zijn landgenoten aanzienlijk lager dan een idylle van Gessner of een vers van Poot, want kunst moet herkenbaar zijn: ""Akkergronden, Weilanden, Bosschen, Zeeën, Rivieren, Beeken, en al wat daar mede in betrekking staat, zie daar wat de Nederlander, tot hier toe, exclusief beminde.''

Die voorliefde, aldus Feith, valt gemakkelijk te verklaren: ""Onze Natie heeft zich zelve in den volsten zin geschapen. Het Land, dat ze bewoont, is haar Land. Zij heeft het aan de wateren ontweldigd. De Ze^en en Rivieren, die "er naar willekeur heure woede in ten toon spreidden, beteugelde haare vuist' en vormde ze om "tot bronnen van voorspoed en welvaart'.'' De Nederlander houdt van de natuur, omdat het landschap de onverschrokkenheid van zijn bewoners spiegelt en hem keer op keer herinnert aan eigen vlijt en grootheid. Vandaar dat de overweldigende schoonheid van het Italiaanse landschap hem minder raakt dan ""de beschouwing van eenen rijken weikamp met tierend vee beslagen, zo dra er de streelende, de zielverheffende gedachte bijkomt: "Zie daar mijne Schepping - zie daar mijnen duurzaamen welvaart tevens! Hier sloeg eens de Zee haare golven; daar trad de magere stier in moerassen. De stoutheid mijner onderneming, mijn geduld, mijne vlijt, mijne taaie en onvermoeide arbeid heeft de natuur overwonnen, en de elementen getemd!'''

Een enkel natuurdetail volstaat om die collectieve herinnering wakker te roepen: ""Aan elken grasspriet, die op zijn' grond ontluikt, aan elke gladde melkkoe, die in zijne weide glimt, is een denkbeeld zijner grootheid verbonden.'' Kortom, Hollanders hebben hun land lief, niet omdat het landschap zo bekoorlijk is, maar omdat die Hollandse natuur één superpleisterplaats van collectieve herinnering vormt.

Feiths diagnose gaat in grote trekken op voor de literatuur uit de voorgaande perioden. Vondel mag broeder Peter in de Gysbreght dan wel de later veel geciteerde woorden "De liefde tot zijn land is ieder aangeboren' in de mond leggen, die genegenheid wordt minder bepaald door het landschap zelf dan door wat men erbij kan denken. De moeitevolle verovering van het land op het water, met de zee als permanente erfvijand, leidde er toe, dat eeuwenlang het landschap werd bekeken uit het oogpunt van het nut dat het voor zijn bewoners afwierp.

De natuur fungeerde eerder als stimulans van religieuze overpeinzing en leerzame beschouwing dan van esthetische ontroering. Dichters als Hooft en Vondel bezongen de aantrekkelijkheid van het Nederlandse landschap dan ook veeleer in termen van vruchtbaarheid dan van schoonheid. Het "lege land,' waarover Auke van der Woud een stimulerend boek schreef, sprak al helemaal niet aan. Cats bijvoorbeeld is in zijn Bedenckingen op 't gesichte van schrale duinen, tusschen den Haegh en Scheveningen in het geheel niet gecharmeerd van het Hollandse kustlandschap: ""Schrale duyn, onvruchtbaer zand,/ Daer geen Els en is geplant;/ Daer geen kerseboom en groeyt, (...) want als ick bij wijlen dwael,/ Of ick klim of nederdael,/ Soo en vind' ick echter niet,/ Waer oock mijn gesichte schiet,/ Dat mijn oogenlust verweckt,/ Of mijn sinnen elders treckt.'' Als dit dorre landschap hem niet geheel onsympathiek is, komt dat doordat de onooglijkheid ervan zijn gedachten niet op een zijspoor zet.

De observatie van Feith wordt dertig jaar later tot een programma omgebogen door David Jacob van Lennep in zijn befaamde Verhandeling over het belangrijke van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding (1827). Deze gids door het Hollandse landschap en het vaderlands verleden kiest de hoogste rand van de duinenrij ter hoogte van Kennemerland als observatiepost. Met achter zich de zee ""onmetelijk in ruimte, ontzettend in krachten (...) van ouds met Holland in strijd, maar aan hetzelve dienstbaar gemaakt'', blikt hij landinwaarts omlaag op ""een onafgebroken schouwtooneel van welvaart, rijk in voortbrengselen van vee- en tuin- en akkerbouw''.

De aantrekkelijkheid van dat oogstrelend panorama, aldus Van Lennep, wordt nog geïntensiveerd door de gedachte, ""dat die beemd, die Hollandsche tuin, niet door de natuur zoo geschonken, maar bijna in weerwil der natuur, door beleid en moed en volharding der inwoners, zoo gevormd is''. Dat Hollandse landschap zal de beschouwer extra imponeren, als hij bedenkt dat grond en geschiedenis in nauwe betrekking tot elkaar staan: ""Er is, schier, geen plek in Holland, wier beschouwing ons niet in vroegere tijden terugvoert, aan welke niet of edele krijgsdeugd, of dappere vrijheidsliefde, of wakkere nijverheid, en onvermoeid geduld eene grootsche herinnering verbonden hebben.'' Laten de buitenlanders maar smalen op de monotonie van het Hollandse landschap met zijn ""vlakliggende, in kampen afgedeelde, weilanden en polders'', de rechtgeaarde Nederlander vindt ""in die eentoonige opvolging van weilanden en polders, (...) een gedenkteeken van vaderlandschen roem, een prikkel tot blijde geestverheffing.''

Toegegeven, op zichzelf vermag deze natuur niet te imponeren, maar zij wordt belangwekkend door haar verwijzende kracht. De vette koeien en grazige weiden duiden op vruchtbaarheid en economische voorspoed. De grond heeft men niet cadeau gekregen, maar eigenhandig boven het water uitgetild. De Nederlandse natuur is zo voor alles mensenwerk, met recht een "kunstwerk', omdat het een eigen creatie is. En daarboven is dat Hollandse landschap ook nog schouw- en strijdtoneel geweest van de vrijheidsstrijd van onze voorvaderen.

Voor Van Lennep redenen te over om dichters en schrijvers met klem aan te sporen werk te maken van dat landschap en de ermee verbonden collectieve herinneringen. Hij gaat met dat appel een stap verder dan Feith. Met zijn oproep het Hollandse landschap als één grote herinneringsplaats te beschouwen (zelf gaf hij vast een voorproefje met zijn Hollandsche duinzang) stippelde deze negentiende-eeuwse Nederlandse Pierre Nora de marsroute uit voor de literatuur van de toekomst. En zijn formule zou aanslaan: na 1830 raakt de literatuur bijkans overspoeld door de historische roman en de historische versvertelling.

Zolang vaderlandsliefde aanzette tot het schrijven van poëzie, heeft het voor dichters dus iets aantrekkelijks het Hollandse landschap als een lieu de mémoire op te vatten. De eeuwenoude topos van een land ontfutseld aan de zee werd wellicht het puntigst samengevat door Staring: ""Gods Almacht wenkte van den troon/ En schiep elk volk een land ter woon;/ Hier vestte zij een grondgebied,/ Dat zij ons zelven scheppen liet.''

Hoe benarder de omstandigheden, des te harder wordt er op dat aambeeld geslagen. Zo krijgen na de inlijving bij Frankrijk in Aan mijne landgenoten in 1810 van A. Simons de voorvaderlijke "ontweldigers aan de zee' een welhaast titanische allure: ""Vergeet uwe afkomst, o Bataven!/ En staat den grond der vadren af;/ Daar liggen zij met eer begraven,/ Wier fierheid u dat erfdeel gaf./ Lang sloeg Euroops wangunstige oogen,/ Op uwe ontelbare zegebogen./ Weleer door reuzen trotsch gesticht;/En de Oceaan zag, op zijn stranden,/ Die zuilen, door geen menschenhanden,/ Maar halve Goden opgerigt.''

Ook Potgieters bekende Holland - de eerste strofe fungeerde onlangs nog als eye-opener voor de tentoonstelling Het Hollands Museum in de Beurs van Berlage - varieert op hetzelfde thema: de hemel boven Holland mag grauw, het strand stormig, de duinen naakt en velden effen zijn, niettemin heeft hij Holland innig lief en waarom?: ""Al wat gij zijt, is der vaderen werk;/ Uit een moeras wrocht de vlijt van die helden,/ beide de zee en den dwing'land te sterk/ Vrijheid een' tempel en Godsvrucht een kerk.''

Potgieter maakt als zovelen van de nood een deugd. Wie esthetische maatstaven aanlegt, is snel uitgepraat, maar de aantrekkelijkheid van Holland ligt niet in wat men ziet, maar in de associaties die het teweegbrengt. Holland is self made en dat is een keurmerk om trots op te zijn. Het is een gedachtengang die past binnen een algemene neiging tot heroïsering van Hollandse daadkracht en inventiviteit. In tijden van verhoogd nationaal gevoel hecht de collectieve herinnering zich zelfs eerder aan wat op vaderlandse bodem aan heldendaden is verricht dan aan het landschap zelf.

Wie op poëtische wijze zijn aanhankelijkheid aan zijn geboortegrond wil uiten, volgt om zo te zeggen eerder Van Lenneps laatste scenario en laat zeehelden, staatslieden en wetenschappers de revue passeren. Zo gaat bijvoorbeeld Helmers te werk in De Hollandsche natie: vijf zangen lang worden hier de oud-Hollandse deugden van zedelijkheid en heldenmoed, benevens de successen van de zeevarende natie en de verworvenheden op cultureel gebied breed uitgemeten, maar het Hollandse landschap speelt in dat machtsvertoon geen rol van betekenis. Helmers is een trendsetter. Het krioelt in de vaderlandslievende poëzie van schoon gewassen of nieuw geconstrueerde lieux de mémoire, waarin helden uit heden (Van Speyk) en het verleden (De Ruyter) op een voetstuk worden geplaatst. Nationale poëzie, zo zal in 1841 Bakhuizen van den Brink opmerken, vraagt van de dichters dat zij zich bij voorkeur wenden ""naar die dagen van werkzaamheid en kracht, waarin onze voorvaders den roem als ware het overrompelden, en de grondslagen legden voor hetgeen wij als natie nog zijn, en nog wenschen te worden''. Onder de strakke regie van het duo Potgieter-Bakhuizen van den Brink groeit zo in de hausse-periode van nationale beeldvorming de zeventiende eeuw uit tot favoriete pleisterplaats van de collectieve herinnering, een lieu de mémoire omgebogen tot een période de mémoire.

Niet alle dichters motiveren hun verknochtheid aan Holland met een verwijzing naar de topos van een land ""ontwoekerd aan de zee''. Maar als men het Hollandse landschap in één beeld wil vatten, beklimt men steevast de duinenrand, de plek der plekken voor een Holland-gedicht.

Ook Nicolaas Beets (Duinzang) kan men daar tegenkomen: ""Van de kruinen onzer duinen/ Zie ik graag op 't land omlaag./ 'k Zie er bosschen, hoven, velden,/ Groene klaverweiden meest,/ Met zoo menig zwartbont beest,/ Maar ook 't ploegpaard op de geest,/ Vrijheid, vrede en welvaart melden,/ Huizingen, zoo ruim als schoon -/Dat is Holland, waar ik woon.'' Verwey (Naar alle zijden), die vanaf ""zijn hogen schemel'' (een duintop?) boerenhoeven, hemel, wind en ""het zilverzande duin'' op zich laat inwerken, vat dat groots verband samen in een slotregel, die een liefdesverklaring behelst aan het Hollandse landschap: ""Ik dichter, die mijn land het schoonst land keur."'

Tegen het eind van de negentiende eeuw brokkelt het landschap als monument van collectieve herinnering, in de betekenis die Feith en Van Lennep daar aan gaven, af. De oorzaken laten zich raden: het vaderlandsgevoel verliest zijn spankracht en ook het dichterschap ondergaat met de Beweging van Tachtig een sterke individualisering. Dichters treden niet langer op namens de gemeenschap. Zij hebben geen boodschap meer aan de verwijzende kracht van het landschap, maar leren het landschap om zichzelfs wil te waarderen. In die nieuwe, zintuiglijke kijk op het landschap waren de dichters uit het Tachtiger-milieu schatplichtig aan de schilders van de Haagse school. ""Jacob Maris leerde ons de plek goed en mooi te zien, waarop wij nu eenmaal moeten wonen'', schreef Frans Coenen in De Kroniek van 1899.

Adema van Scheltema zei het in 1922 nog stelliger: ""Zoo heeft onze Haagsche schilderschool een niet zoo heel klein deel van ons volk de eigen schoonheid van land en lucht leeren zien en is zij op onze literatuur van invloed geweest.'' Mag dat schildersoog op de natuur in het Tachtiger-milieu zich tenslotte vernauwd hebben tot de woordcultus van het impressionisme, de privilegiëring van de zintuiglijke waarneming verruimde ontegenzeggelijk de blik op het landschap. Dichters krijgen oog voor de merites van wat als een specifiek Hollands landschap werd beschouwd. Wie zijn verbondenheid met of bekoring door de Hollandse natuur gestalte wil geven, put uit een arsenaal aan natuur-topoi die als typisch Hollands golden: oer-elementen als water, lucht en wind en land, omzoomd door dijken en duinen, doorsneden door rivieren en kanalen, en gestoffeerd met boerenhoeven, boompartijen, torenspitsen en molens keren steeds terug in de landschapspoëzie.

Aan de stroom van Holland-gedichten uit de eerste helft van deze eeuw valt af te lezen hoe de literatuur de collectieve herinnering aan het Hollandse landschap levend houdt en deze dank zij de verscherpte zintuiglijke waarneming een nieuwe visuele impuls verschaft: denkend aan Holland ziet iedereen, om zo te zeggen, met Marsman brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.

Na de Tweede Wereldoorlog raakt het Hollandse landschap echter steeds meer uit het zicht. Met een kleine variatie op Bert Voeten (Agendablad 12 april 1965) kan men zeggen: ""het moet voor iedereen/ die ermee te maken heeft/ wel duidelijk zijn/ de (landschaps)poëzie/ is niet meer van gisteren.'' Het landschap betaalt een zware tol aan de verstedelijking, de opdringende industrie, de vertechnisering van het boerenbedrijf en het massa-toerisme.

De natuur is niet meer wat zij geweest is, moeten de dichters op grond van autopsie vaststellen. Het is een gegeven dat tot uiteenlopende dichterlijke reacties leidt. Bij sommigen is somberheid troef. Hans Andreus geeft zijn beschrijving van een boswandeling de ironische titel Natuurgedicht mee: ""terwijl de snelweg zoemt als verschrikte bijen'', bespeurt hij dat het mos ""niets heeft van het zachte mos/ van een oud natuurgedichtenbos.'' Jan Elburg (Kennemerduinen) observeert hoe van de duinen ""hoogovensmog blancheert de blanke top'' en, met een variatie op Kloos, moet hij bijna huilen ""om kapotgetrimde bloemen''.

Ed Leeflang (Duinen) treft een landschap aan, ""waar alles uit de tijd valt, ritselend,/ hoe schelpen gaan, knerpend, hoe niemand/ meer opraapt, hoe de wind heengaat:/ zonder geest te zijn wat hij afrukt/ verwerpend''. Lucebert (Strandwandelaar): vergaat het niet beter: ""de lege eenzame mens voelt op het dode zand/ van het strand onder de gehelmde vuist van het duin/ in een kuil vol vies papier etensresten in een krant/ klam hout en hier en daar de eeuwig blotere kwal/ niets voor de beweeglijkste aller moeders dan/ weerzin woede misschien en wanhoop in elk geval.'' Hans Warren (Vernietiging) wordt overvallen door schaamte: ""Altijd geweten dat alles gaat verloren./ Maar dat het zo stijlloos gebeurt,/ zo stinkend en verwaten,/ dat straks wat ooit leefde,/ wat wij maakten, droomden slijmt/ en ettert in een poel waaruit nimmer,/ nimmer meer enig leven/ ontkiemen kan omdat wij alles/ vernietigden eer we kenden -/ die schaamte.''

De teneur is duidelijk: de mensenhand die bij Feith en Van Lennep het Hollands landschap tot aanzijn riep, richt datzelfde landschap nu te gronde. De cultuur, die aanvankelijk het landschap tot een zinvolle lieu de mémoire stempelde, heeft die plaats van herinnering nu grotendeels vernietigd.

Dichters met een minder fatalistische visie lijken geen boodschap meer te hebben aan de totaliteit van het Hollandse landschap. Fungeerde vroeger de beschrijving van een segment van de Hollandse natuur vaak als pars pro toto, nu resteert slechts het fragment. Het Hollandse landschap raakt zo verkaveld in steeds kleinere, persoonlijke percelen, een landstreek, een buurtschap, een enkele plek. Wie oog in oog staat met zo'n nog niet door de cultuur geïnfecteerd deellandschap wordt veelal door nostalgie bevangen en koestert dat stukje ongerepte natuur als een dichterlijk natuurreservaat, dat niet verloren zou mogen gaan.

Vaak echter moeten dichters ervaren dat favoriete landschappen uit hun jeugd verdwenen zijn en alleen nog maar in de herinnering voortleven. De recherche du lieu perdu loopt dood, omdat, in de formulering van Willem van Toorn (De tijd), de ""tijd dwars door het landschap loopt''. Dit is de plek, zo luidt toepasselijk de deeltitel van een recent boekje van Wam de Moor, waarin hij in gesprekken met hedendaagse schrijvers en schilders op zoek is naar de betekenis van plaats en emotie in hun werk. Voor het merendeel van de geïnterviewde bestaat die favoriete plek alleen nog als herinnering, een vroegere idylle, nu verdwenen of zelfs verbogen tot een ""schuldig landschap'' (Armando).

Al met al is het beeld van het Hollandse landschap in de poëzie van vandaag vrij zorgelijk. Als men nog wil spreken over een collectieve herinnering aan het landschap, dan wordt deze in hoge mate gekleurd door nostalgie om wat al verdwenen is en bezorgdheid voor een verdere teloorgang.

De visie op het Hollandse landschap mag in de loop der tijd verschoven zijn, de herinnering aan al die collectieve herinneringen ligt opgeslagen in de literatuur en leeft daarin voort. Het Hollandse landschap is zo vooral een landschap van horen zeggen of beter een gelezen landschap. Dichtbundels, maar meer nog bloemlezingen fungeren zo als ultieme lieu de mémoire en in het verlengde daarvan ook het geheugen van de lezer, waar zich klassieke regels als de volgende hebben vastgezet: ""De stille weg/ De maannachtlichte weg - de boomen/ de zo stil oudgeworden boomen - het water/ het zachtbespannen tevreeë water./ En daar achter in 't ver de neergezonden hemel/ Met het sterrengefemel'' (Gorter); ""Mijn hart wou nergens tieren/ En nergens vond ik vre^e/ Dan tussen uw rivieren/ Nabij uw groote zee'' (Boutens); Holland gij hebt zwellende wolken-stoeten/ uit verre hemel-velden aangevlogen'' (Henriette Roland Holst); ""De hemel grootsch en grauw,/ daaronder het geweldig laagland met de plassen;/ boomen en molens, kerktorens en kassen,/ verkaveld door de slooten, zilvergrauw'' (Marsman); ""De donzen hoeven, langs den zuivren stroom gedoken/ het droomend vee; de donker opgestoken/ besombering der dijken'' (Truus Gerhardt); ""Boven mijn hoofd hebt gij uw lucht gebreid;/ Een hemel rijk van zon en wijd van wind'' (Nijhoff).

Aubades behoren tot het verleden. Evenmin schittert de blanke top der duinen als vroeger in de zonnegloed. Zolang regels als de hier geciteerde echter blijven haken in onze herinnering lijkt het Hollandse landschap niet geheel verloren.