VADERLOOS

Soms wordt de verbeelding door de werkelijkheid overtroffen.

Alleen al de plaats waar het half afgebouwde huis van Carlos Martilia stond: op een berghelling, met Seru Fortuna op de top, en Campo Alegre aan de voet. Seru Fortuna, wat berg van fortuin betekent, is een berucht volkswoningproject op Curaçao van enkele honderden piepkleine woninkjes ten behoeve van "probleemgezinnen', wat in Curaçaose termen wil zeggen: gezinnen van alleenstaande moeder met vier of vijf kinderen van evenzoveel vaders. De dochters uit die gezinnen raken op hun zestiende zwanger, omdat ze ook zo hun behoefte hebben aan plezier en de dure uitjes met rijke mannen in snelle auto's op dezelfde manier betalen als indertijd hun moeders. De zonen, die maar geen mannen kunnen worden, raken aan drugs verslaafd en beginnen te stelen, eerst uit de portemonnee van hun moeder, later uit die van anderen. In het gunstigste geval weet de wanhopige moeder het geld op te brengen om de jongen naar Holland te sturen waar hij, zoals we inmiddels weten, in handen van Nordholt zal vallen.

Aan de voet van de berg ligt Campo Alegre, het hoerenkamp. Omdat liefde in de tropen alleen bij zwaar weer onderdak nodig heeft werd de openlucht-prostitutie tijdens de olie-boom van de jaren vijftig zó'n groot probleem, dat zelfs de bisschop dit staatsbordeel niet kon tegenhouden.

En tussen Seru Fortuna en Campo Alegre staat het half afgebouwde huis van Carlos Martilia. Twee jaar geleden zocht ik hem op, samen met de schrijver Stephan Sanders. Wij hadden namelijk gehoord dat deze man een zeer bijzondere politieke partij had opgericht: de PAN ("Provincie Antilliaanse Nederlanders') die als doel had Curaçao tot de dertiende provincie van Nederland te maken.

Martilia, toen vierendertig, was een zachtmoedig man, een beetje verlegen zelfs. Hij was niet zo gewend aan journalisten, omdat iedereen zijn plannen belachelijk vond. Hij verontschuldigde zich voor de bouwmaterialen op het erf en de ongeplijsterde muren van zijn huis. Hij had geen geld meer om het af te bouwen. Hij was net ontslagen. Volgens hem om politieke redenen. Tijdens een bijeenkomst van zijn partij had hij gezegd dat de opstand van 1969 gericht was geweest tegen de blanke onderdrukkers, maar dat er nu een opstand nodig was tegen de zwarte onderdrukkers. De volgende dag ontving Martilia zijn ontslagbrief van het staatsbedrijf waar hij werkte.

Ontslag is een zware straf op het eiland, waar alle hoge ambtenaren en werkgevers elkaar persoonlijk kennen en een soort herenakkoord hebben om elkaars afvalligen geen tweede kans te geven. Iedereen adviseerde hem naar Nederland te vertrekken, maar dat wilde hij niet: ""Als ze op Curaçao dezelfde voorzieningen en wettelijke regelingen hadden als in Nederland, zou niemand naar Nederland hoeven!''

Martilia was geen begaafd redenaar, maar hij deed erg zijn best: ""Ik kijk naar het volk, en wat zie ik? Dat onafhankelijkheid voor deze generatie Curaçaoënaars absoluut onverantwoordelijk is!''

Vervelend detail was alleen dat geen enkele partij op Curaçao onafhankelijkheid wenste. ""Maar ze zeggen ook niet wat ze wèl willen'', antwoordde Martilia strijdvaardig, ""alleen maar ontwikkelingshulp, waar de politici zich mee verrijken.''

Ook dit was niet zo opzienbarend, omdat iedereen het wist en er laconiek over deed; corruptie wordt in deze contreien gezien als een onontkoombaar verschijnsel. Waarom zou men Martilia's leven dan ineens zo zuur willen maken? Hij gaf daar uiteindelijk zelf antwoord op. Vroeger, vertelde hij, stond de afkorting van zijn partij ergens anders voor: ""Partij Amador Nita.''

Amador Nita behoorde samen met Papa Godett en Stanley Brown tot de aanstichters en leiders van de grote volksopstand van Curaçao in 1969. Op 30 mei van dat jaar werden zestig gebouwen in brand gestoken, voor het merendeel winkels van blanken. Er werd geplunderd, twee mensen werden doodgeschoten en er vielen talloze gewonden. Ten slotte grepen de Nederlandse mariniers in en herstelden de orde. Voor een links-nationalistische radicaal als Amador Nita was dat een verschrikkelijke nederlaag. Nita haatte Hollanders.

Hoe kwam Martilia er dan bij om z'n partij juist naar Nita te noemen, terwijl hij precies het tegenovergestelde nastreefde, namelijk een herstel van de koloniale banden? ""Het was mijn eerbetoon aan mijn vader'', vertelde Carlos Martilia.

Lange tijd wist Amador Nita zelf niet dat hij een buitenechtelijk kind had: ""Mijn vader was een rokkenjager, al sinds hij jong was, maar vooral na de opstand, toen hij een belangrijk man was geworden.''

Carlos Martilia las alles van en over zijn vader, de revolutionaire pamfletten en de opruiende artikelen in de kranten: ""Ik was veertien, toen ik hem voor het eerst ontmoette. Hij was al minister, in die tijd. Ik ging naar het ministerie en vertelde aan zijn secretaresse hoe ik heette. Ze belde even en ik mocht gewoon doorlopen, al was hij in een bespreking. Hij had het erg druk, zei hij, maar ik mocht in zijn kamer wachten.''

Na een half uur vroeg Amador Nita aan zijn zoon hoe het op school met hem ging. ""Hij vroeg wat ik graag zou willen hebben. Een fiets, zei ik. Hij gaf me vijftien gulden. Ik kocht er een dagboek mee, zo'n dure.''

Korte tijd later overleed Amador Nita: ""Ik hoorde het op de radio. Ik kende hem niet, maar ik was bedroefd. Iedereen was bedroefd, men bewonderde hem omdat hij het tegen de Hollanders had durven opnemen. Hij was de moedigste man die ik ooit heb ontmoet. Maar ik zou nooit zomaar kinderen verwekken, hier en daar, en dan niet naar ze omkijken. Ik begrijp niet dat mannen zulke dingen kunnen doen.''

Een beetje wrok en een beetje verering, dat was nog begrijpelijk, maar het tegenovergestelde nastreven als je vader en het dan een "eerbetoon' noemen? ""Ik zie het zo: de situatie is in de afgelopen twintig jaar sterk veranderd. In 1969 moest een strijd worden gevoerd tegen de macamba's uit Holland die de zwarte landskinderen onderdrukten en uitbuitten. Curaçao was een racistische maatschappij. Nu niet. Nu worden we bestuurd door diezelfde zwarte landskinderen, en kijk wat ze aanrichten. Corruptie, verval, een massale exodus naar Nederland. Als mijn vader nu geleefd had zou hij in opstand zijn gekomen tegen de leiders die we nu hebben. Ik doe wat mijn vader zou hebben gedaan. Daarom noemde ik de partij naar hem.''

Voor het grote publiek en voor de echtelijke kinderen van Amador Nita bleek deze gedachtengang te ingewikkeld. Zij beschouwden de PAN van Martilia niet als een eerbewijs, maar als een rechtstreekse bezoedeling: ""In de kranten zeiden mijn halfbroers dat ik de naam van Amador Nita misbruikte en dat ik wraak probeerde te nemen op wat hij mijn moeder en mij had aangedaan. Maar daar ging het bij mij helemaal niet om. Ik wilde geen ruzie in de familie, en ik was ook trots op mijn vader, net als zij. Ik veranderde zelfs de naam van de partij. Maar ze bleven kwaad.''

Geen werk, geen begrip, geen politieke volgelingen, en zelfs geen afgebouwd huis - en dat in een cultuur waarin het bouwen van het eigen huis en het hebben van een vaste baan worden gezien als de ultieme uitingen van mannelijkheid. Daar, op die berghelling, leek Carlos Martilia zich volledig te hebben ingeklemd door het machtsvertoon van sterke, potente mannen: boven hem Seru Fortuna, waar de vaderlozen hun uitzichtloze dagen doorbrachten, en beneden Campo Allegre, waar de vaders plezier maakten, tot diep in de nacht.