SURINAME

De kortste weg naar Langatabbetje door Wim Noordegraaf 229 blz., Nijgh & Van Ditmar 1992, f 34,90 ISBN 90 388 5481 1

Hoe serieus moet een bezoeker een Derde-Wereldland nemen dat niet meer dan één grote stad kent, geen rijkswegen heeft, en waar nog maar zo'n 400.000 mensen wonen omdat de rest is vertrokken naar minder zonnige, maar rijkere oorden? Het zal er onder meer van afhangen in welke hoedanigheid hij het land bezoekt. Voor een rondkuierende toerist is het lachen geblazen als het veer over de rivier weer eens defect is, voor de zakenman is het een ergernis - en een journalist zal, eenmaal over zijn ergernis of slappe lach heen, vragen waardoor het veer toch telkens stuk gaat, en hoe dat het leven van de plaatselijke bevolking beïnvloedt. Tenminste, dat ligt voor de hand.

Was de voormalig poppenspeler Wim Noordegraaf in Suriname toerist, zakenman, journalist of alledrie? Hij werkte er vanaf 1987 vijf jaar als correspondent voor de Volkskrant en de Vara, maar welke rol hij zichzelf toebedeelt in zijn onlangs verschenen De kortste weg naar Langatabbetje, het relaas van zijn ervaringen in het getormenteerde land, blijft onduidelijk. Het boek mist een voorwoord of verantwoording. Uit de tekst, die begint met een stadswandeling en eindigt met een hoofdstuk over de Surinaamse taal, komt Noordegraaf nog het meest naar voren als een toeristische "Nederlander in Suriname', die af en toe een stukje doorbelt of een poppenshow opvoert maar verder vooral met geamuseerde verbazing het sympathieke gestuntel van de bevolking gadeslaat. Hij schrijft over honden die postbodes bijten, aapjes die door het huis rennen en "moesjes' op de markt. Zonder het al te serieus te nemen - want dat doen ze zelf toch ook niet? Suriname is in dit boek een laconiek landje vol "rielekste' mensen, die er niet zo zwaar aan tillen dat alles mis gaat.

Dat blijkt al uit de stijl: het boek is geestig en onderhoudend geschreven, met een onderkoelde humor en veel ironie. Een Suriname-ganger met genoeg achtergrondkennis zal er veel in herkennen, een toerist krijgt een aardige sfeerimpressie. Maar de ironie gaat al snel tegenstaan als de lezer meer dan een vluchtige indruk uit het boek wil putten. De vraag rijst dan of Noordegraafs correspondentschap nog iets meer heeft opgeleverd dan anekdotes en toeristische tips zoals de noodzaak een barse "Belangrijke Neger Intonatie' in de stem te leggen bij het bestellen van een broodje?

Het lijkt er niet op. De hoofdstukken over actuele problemen in Suriname, zoals het deviezentekort, de onrust in het binnenland en de etnische verhoudingen, zijn oppervlakkig en vormen het minst geïnspireerde deel van het boek. Bovendien lijkt Noordegraafs oordeel bepaald door zijn neiging zich op te werpen als verdediger van een "links' Suriname tegen het paternalistische Nederland, waar immers ""alles tegen Bouterse' erin gaat als ""het Woord in de ouderling'. Hij doet dat vaak tussen de regels door, zoals zijn opmerking dat de Surinaamse legerleiding de ""verantwoordelijkheid nam' voor de decembermoorden in 1982. Een curieuze en misplaatste formulering: ze pléégden die moorden nota bene zelf.

Tekenend is ook de manier waarop Noordegraaf zich in allerlei bochten wringt om de aanwijzingen te ondergraven dat de legertop betrokken is bij drugshandel, zoals in de Nederlandse pers werd gemeld. Hij schampert over de ""bekwaam neergepende sociale fictie' van NRC Handelsblad en beschrijft hoe hij na onthullingen in deze krant over de telefoon wat goedgemutste grapjes maakte met de tweede man van het leger, Graanoogst, die hij alles meewarig laat ontkennen. ""Als de storm is geluwd,' besluit hij maar wat ""inktvisjes te frituren en een paar flesjes wijn open te trekken.'

De lezer blijft achter met de kater: waarom doet deze journalist zo laconiek over alles wat niet past in zijn beeld van Suriname als een sympathiek, onschuldig, gek landje? Al met al is de informatieve waarde van het boek gering, het lijkt of Noordegraaf veel liever thuis met zijn aapjes speelt of in de keuken aan het kokkerellen is. De passages waarin hij de kuren van zijn huisdieren beschrijft zijn namelijk buitengewoon aardig, evenals die over de kleine ergernissen van het dagelijks leven en andere tijdloze observaties waar de actualiteit niet hinderlijk op de loer ligt. Uit die stukken komt Noordegraaf naar voren als een nauwgezet observator op de vierkante centimeter en, ongetwijfeld, een aardige man. Maar voor een goed boek over Suriname blijkt dat niet genoeg.