Snuffelhond op St. Maarten heeft het zwaar; Nederlandse marechaussee staat lokale politie bij

PHILIPSBURG, 27 FEBR. Wie aan land komt op het Bovenwindse eiland St. Maarten loopt recht van het piertje op het oude houten gerechtsgebouw af. Het is bladderend wit en stamt uit het eind van de negentiende eeuw. Wie vervolgens door een klein straatje loopt ziet het grote nieuwe politiebureau aan de hoofdstraat dat enkele weken geleden werd geopend. De twee uit Nederland afkomstige officieren van justitie zitten sinds enkele dagen op een fraai vertimmerde bovenverdieping van het gebouw.

Voor de miljoenen toeristen, vooral voor de oudere dagjesmensen die met een oceaanstomer arriveren, moet dat een geruststellende gedachte zijn. De angst onder de grote zonnehoeden lijkt daarmee verdwenen. Na klachten van vooral de cruise-directies heeft de Antilliaanse regering in samenwerking met de Koninkrijksregering enkele jaren geleden besloten op St. Maarten op justitieel terrein flink aan de slag te gaan. Zelfs de eilandsregering staat nu onder curatele. De gouverneur moet iedere besteding goedkeuren omdat de mafia en andere duistere financiers te veel bij de eilanduitgaven betrokken zijn.

Twintig Nederlandse marechaussees werden twee jaar geleden als bijstandsteam toegevoegd aan de lokale politie. Minister Ter Beek van defensie is van plan om die hulp desgevraagd voor twee of drie jaar te verlengen. De snuffelhond die ze hebben meegebracht heeft het zwaar. Het beest heeft moeite met de tropische temperatuur en de lucht van bloemengeur vermengd met kerosine. Het valt tegen bij hoeveel pakjes en koffers hij op het vliegveld keft.

Met de marechaussees zelf gaat het beter. In het begin waren er volgens Commissaris Walter Kramers, hoofd van het Korps Politie Nederlandse Antillen op St. Maarten, wel aanpassingsproblemen. “Ze kenden de Caribbean man niet goed en die neemt het wel eens licht met de tijd. Als de Nederlanders met het gemengde recherche-team op pad moesten dan ergerden zij zich aan het feit dat onze mannen nog wel eens even opgehouden werden door telefoontjes van hun vriendinnen. Ook was men hier nog niet zo ver met dossiervorming en misdaadanalyse. Wat moest er in de dossiers staan en wat niet en hoe verzamel je de feiten zo snel mogelijk om verdachten niet langer dan drie dagen in voorarrest te houden? Ze hebben prachtige technische spullen meegenomen die het ons samen veel gemakkelijker maakt het werk goed te doen.”

De marechaussee loopt hier op kousevoeten en werkt in burger. Ze hebben zich redelijk aangepast. In diensttijd willen ze weinig vertellen over hun ervaringen. Mevrouw Römer, de minister van justitie van de landsregering van de eilanden, is van mening dat zij het woord moet voeren en de leiding van de Koninklijke Marechaussee in Nederland wil dat liever niet doorbreken. Maar in de avonduren ligt het anders. Na een wat moeilijke start voelen de zeventien mannen en drie vrouwen zich een stuk meer op hun gemak en zien dat hun werk samen met de Antillianen tot resultaten en aanhoudingen leidt. Wel maakt een aantal marechaussees zich zorgen over de toekomst en vrezen ze dat hun werk straks niet gemakkelijk door het nationale korps wordt overgenomen.

In de toekomst zou er meer preventief moeten worden gewerkt, zo meent een van de Nederlandse deelnemers en de Korpschef van de politie. Door een betere bewaking van de grenzen, een actievere vreemdelingendienst, een grotere doorzichtigheid in bankverkeer en een betere controle op casino-winsten moet dat gaan lukken.

De helft van de bevolking op het Nederlandse gedeelte van het eiland bestaat uit illegalen (30.000). In die gesloten wereld is het moeilijker binnendringen en is de bereidheid om te informeren en vragen te beantwoorden klein. Wordt het totaal van het justitiële apparaat op het eiland meer zichtbaar dan kan daar ook een preventieve werking vanuit gaan, zo menen én de Korpschef én de marechaussee.

“Toen ik hier bijna vier jaar geleden kwam, begon ik als het ware achter een kassa bekeuringen te innen. Daarna heb ik alle facetten die zich bij het werk van een officier van justitie voordoen doorlopen. Daar stak ik wel wat van op maar de bedoeling was toch om de rechtsgang te verbeteren.”, zegt de Nederlandse officier van justitie op St. Maarten in Antilliaanse dienst, H. Wesselink. “In die vier jaar is er veel gebeurd. Jaarlijks worden er ongeveer vijfhonderd dossiers op mijn bureau gelegd door de Antilliaanse politie, aangevuld met werk van de Nederlandse Marechaussee. Met beide korpsen heb ik goede ervaringen. De helft van het speurwerk leidt nu tot vervolging.”

“In het verleden liep de samenwerking tussen uitgestuurde Nederlandse rijks- en gemeentepolitie en de Antillianen niet goed. Daar zijn vernietigende rapporten over geschreven. Daarnaast bestond er op de eilanden de vrees dat Nederlanders de carrière van de Antillianen in de weg zouden staan. Nu is het een stuk beter. De marechaussee functioneert meer eensgezind. Dat heeft misschien ook met hun militaire achtergrond te maken. Zij zijn als militair detachement uitgestuurd. Ook het Korps Politie Nederlandse Antillen kent een militaristische sfeer. Die inslag bij beide korpsen bevordert samenwerking”, zegt Wesselink.

Commissaris Kramers deelt de zorgen van de marechaussee over de lokale werving. Zijn opleidingsklasje van vijfentwintig man krijgt hij niet vol ondanks de T-shirts die hij bij scholen aflevert met het opschrift: het lijkt me schitterend (I love, vertaald in een rood hartje) om bij de politie van St. Maarten te werken. Op een legale en illegale bevolking van 60.000 kan hij slechts onder 8000 burgers werven. De casino's, hotels en banken betalen het veiligheidspersoneel veel en veel beter. Kramers wil in de toekomst met die privé veiligheidsdiensten afspraken maken.''

Tegen twee van zijn eigen mensen werd onlangs zes jaar gevangenisstraf geëist omdat zij geld afpersten van een drugskoerier. “Tegen die mentaliteit ga ik hard in. Vergeet niet dat jullie in Nederland eeuwen lang de tijd hebben gekregen om een goed apparaat op te zetten. Bij ons is het kort dag.” besluit Kramers.

In het vliegtuig zegt een bemanningslid: “Op de lijn naar St. Maarten is het nog rendabel om een eerste klas afdeling te hebben, naar de andere eilanden niet. Met name Italianen laten zich op die bestemming graag verwennen.”

Wie aankomt hoeft zijn koffers niet open te maken. Er is geen douane. Het is een vrijhaven. Een Franse parlementaire missie heeft onlangs vastgesteld dat St. Maarten, half Nederlands half Frans, een "waarachtige pijplijn', een "paradijs' is voor het witwassen van geld via casino's dat met de cocaïne handel is verdiend. Nederland is niet bereid tot samenwerking, schrijven de Fransen in hun rapport.

“Hoe kan ik op die aantijgingen ingaan”, vraagt mevrouw S. Römer, minister van justitie van de landsregering met haar handen in de lucht gestoken, een beweging waarbij zij zich bijna in haar kettingen verstrikt. “Zolang Frankrijk zelf niet meedoet is het dweilen met de kraan open. In het Franse deel zie je na zes uur geen agent meer op straat. Dat is bekend. Willen we informatie of een arrestatie op het Franse deel dan loopt het verzoek van St. Maarten naar Curaçao, naar Den Haag, Parijs, Guadeloupe (Franse openbaar ministerie) naar St. Martin. Criminelen weten dat. Plaatselijk is er wel samenwerking maar het is een lange weg. Een commissie in Willemstad is druk bezig om voorstellen te doen om met Frankrijk tot een goed verdrag te komen. Ik zou graag dit jaar nog een vorm van douane-controle invoeren op het eiland.”

Ook het illegalenprobleem is moeilijk oplosbaar en staat een normale rechtsgang in de weg. St. Maarten kan niet buiten hen omdat de economie op illegale arbeid steunt. “De enorme economische groei in de jaren zeventig en tachtig is niet aan de oorspronkelijke eiland-bevolking ten goede gekomen maar alleen aan een hele kleine heersende minderheid van politici en grootgrondbezitters. De rest van de winsten vloog weg naar het buitenland. Dat heeft de criminaliteit sterk aangewakkerd”, zegt een advocaat. “Sommige eilandbewoners willen die schade inhalen en alsnog pakken wat er te pakken valt.”