Sint Maarten kan maar beter geen dertiende provincie worden; De "bestuurlijke houdgreep' van minister Hirsch Ballin dient zijn tijdelijk karakter te behouden

Frans St. Maarten stemde vorig jaar en bloc tegen "Maastricht'. Geen wonder. Het was in de jaren tachtig overstroomd door Fransen uit de métropole, en op een nieuwe invasie, nu uit de gehele EG, zit men niet te wachten. De toevloed van de Fransen uit Europees Frankrijk was mogelijk omdat de overzeese gebiedsdelen een integraal deel uitmaken van de Franse Republiek. Franse staatsburgers kunnen zich vrij vestigen in alle delen van het land, dus ook in Saint-Martin, net zoals de Saint-Martinois, eveneens zonder belemmeringen, naar Frans Europa kunnen trekken.

Nu minister Hirsch Ballin van justitie voor Nederlands Sint Maarten de status van provincie van Nederland serieus blijkt te overwegen, doet de regering er verstandig aan het Franse deel van het eiland eens nader te bekijken.

Frans Sint Maarten heeft lang een zorgelijk bestaan gekend, het was een wat vergeten gebied van het departement Guadeloupe. Noch Guadeloupers, noch Europese Fransen, kwamen graag naar deze uithoek van de republiek. Het was er niet alleen primitief in hun ogen - de mensen spraken niet eens fatsoenlijk Frans en zelfs geen fatsoenlijk Engels - maar er was niets te verdienen en niets te doen. Tewerkstelling in Saint-Martin werd als een verbanning gevoeld en soms ook wel zo gebruikt.

De eerste verandering in de situatie kwam in de jaren zestig. In Nederlands Sint Maarten kwam een proces op gang dat zou uitgroeien tot een boom: de lokale toeristenindustrie werd geboren. De Franse kant profiteerde mee van deze economische opleving. Veel Frans Sint Maartenaren vonden werk "at the Dutch side', terwijl er in hun eigen Saint-Martin ook een zekere bedrijvigheid ontstond. De roem van de Franse keuken werd benut en de eerste Franse restaurants openden hun poorten. Sint Maarten als geheel werd hierdoor extra aantrekkelijk voor bezoekers.

Intussen werden plannen gemaakt voor een onafhankelijke ontwikkeling van het Franse eilandsdeel. Hoe goed de verhoudingen met de Sint Maartenaren aan de Nederlandse kant van de grens ook waren, de Saint-Martinois wilden liever in hun eigen gebied werken, en ook niet in andere opzichten afhankelijk zijn van de tweelingbroer. De jaren tachtig zouden de verandering brengen. Europa bereidde zich voor op het toen nog magische "1992' en de buitengewesten werden weer interessant. De zonaanbidders onder de Europeanen, en met name zij die niet op een dubbeltje hoeven te kijken, zochten ook steeds afgelegener stranden; de Amerikanen kenden Sint Maarten al langer. Ook in Saint-Martin kwam een boom. Aan vrijwel elke baai verrees een hotel en overal werden prachtige winkelgebieden aangelegd. De drukte nam er Europese proporties aan.

Deze ontwikkelingen deden ook hun invloed gelden op de samenstelling van de bevolking. De migranten stroomden toe, zoals eerder een migrantenstroom naar Nederlands Sint Maarten op gang was gekomen. Onder de nieuwe bewoners waren ook veel Europese Fransen. De komst van deze métros werd sterk gestimuleerd, toen in 1986 de zogeheten "defiscalisation' werd geïntroduceerd. Aan Franse staatsburgers, die investeerden in de overzeese gebiedsdelen werden aanzienlijke belastingvoordelen in het vooruitzicht gesteld.

Niet bekend

Wie het gebied rondom de jachthaven van Saint-Martins hoofdplaats Marigot betreedt, komt terecht in een witte wereld. Enerzijds zijn er de Europees Franse en Amerikaanse eigenaren van de jachten, anderzijds zijn er de ontelbare restaurants en winkels aan het water, die veelal in métro handen zijn. Niet alleen de eigenaren zijn Frans, het - zichtbare - personeel is ook Frans. Degeen die zich niet vlot kan uitdrukken in de Franse taal, voelt zich bijna beschroomd om deze enclave binnen te gaan. Onder hen die moeite hebben met het Frans zijn ook de Frans Sint Maartenaren, die niet het Frans, maar een (creole) Engels als moedertaal hebben.

Ook in andere delen van Frans Sint Maarten is de Europees Franse aanwezigheid goed merkbaar. De meeste nieuwe hotels zijn in Franse handen. Hetzelfde geldt voor het merendeel van de banken, terwijl ook het aandeel van de métros in vrije beroepen aanzienlijk is. De meeste nieuwe winkels in Marigot zijn van de métros. Lokaal personeel komt er meestal niet aan te pas: als de métros extra mensen nodig hebben kan men een familielid, of een vriend uit Frankrijk over laten komen, of een gastarbeider in dienst nemen. Onder de laatsten hebben de illegalen vaak de voorkeur. Dezen, veelal afkomstig uit de armste gebieden uit de regio, zoals Hati, de Dominicaanse Republiek en Columbia, zijn relatief goedkoop. Bovendien zijn ze niet lastig, omdat ze bij gebrek aan burgerrechten, geen vuist kunnen maken. Het inzetten van illegalen is voor een deel van de métros overigens bittere noodzaak: ze hebben niet de middelen voor duurder personeel. Sint Maarten is duur en de concurrentie is groot.

Wat vinden de Franse Sint Maartenaren nu van deze ontwikkelingen? In de eerste plaats is iedereen blij dat het nu zo goed gaat. Eindelijk tellen de Saint-Martinois ook mee. Het heeft nu zelfs zulke mooie hotels dat president Mitterrand er president Bush kon ontvangen, zoals in 1989 gebeurde. Bovendien kregen de Sint Maartenaren ook beetje een bazen-status, immers de illegale immigranten zijn er voor het vuile werk. Maar dit is niet het hele verhaal. Veel bewoners van Saint-Martin zien de groeiende Franse invloed met lede ogen aan. Men is vreemdeling in eigen land geworden. De armoede van een deel van de nieuwe métros valt ook slecht, om concurrentie van arme blanken is men niet verlegen. Langzamerhand beginnen de Saint-Martinois zich te organiseren om zich teweer te stellen. Net als in Nederlands Sint Maarten ontstaan er verenigingen om de rechten van de "sons and daughters of the soil' te verdedigen. De kans dat het net als in Guadeloupe, en niet te vergeten Nieuw Caledonië, tot gewelddadige acties komt, wordt niet geheel uitgesloten, al is de meerderheid van de Frans Sint Maartenaren daar fel tegen.

Thans echter stelt men alles in het werk om op vreedzame wijze te redden wat er nog te redden valt. Makkelijk is dat echter niet. De politiek is een gevangene van het systeem. Immers de Europese Fransen hebben stemrecht. En het gaat om een aanzienlijk aantal stemmen. Omdat lang niet alle métros zich hebben ingeschreven op de kiezerslijst, vormen de geboren Sint Maartenaren nog de meerderheid van het electoraat, maar dat kan veranderen. Bovendien zijn er onder de métros veel invloedrijke lieden, vertegenwoordigers van grote investeerders als pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen, bankiers en notarissen, die men liever te vriend wil houden. Dat laatste geldt natuurlijk ook in hoge mate voor de métropole, Parijs, zelf. Tot nu toe heeft daarom geen der politici zich openlijk tegen de métros gekeerd - de burgemeester van Saint-Martin stelde zich neutraal op toen "Maastricht' ter stemming werd gebracht - maar of dat nog lang zo zal blijven is de vraag, want de onrust groeit. Die onrust is er ook bij de métros. Zij zijn bang zijn voor het verlies van hun investeringen en ook wel voor fysieke agressie. Men hoort al verluiden dat Frankrijk een Thatcher nodig heeft, iemand die bereid is ver van huis de Europese bezittingen te verdedigen. De posters ten faveure van Le Pen wijzen op wat extremere voorkeuren.

Het lijkt mij duidelijk dat Nederland het Franse voorbeeld niet moet volgen. Immers Europese Fransen en Europese Nederlanders kunnen heel goed met elkaar vergeleken worden. Ook Nederlanders vinden zon en zee belangrijk. Ook Nederlanders willen hun vleugels uitslaan. Prikkels in de vorm van belastingaftrek, zoals de Franse regering in het vooruitzicht stelde, zijn daarbij niet per se nodig. Gevoelens van superioriteit spelen ook een rol bij de wens zich in de tropen te vestigen: de media verhalen elke dag over de problemen in de landen overzee. Veel positiefs daar staat daar niet tegenover. Zo ontstaat het gevoel dat men elders in feite op ons zit te wachten.

Het voordeel van de huidige situatie voor de Nederlandse Antillen en Aruba is, dat ze met betrekking tot de toelating van Europese Nederlanders beschikken over een middel om de toegang te beheersen: iedere niet-Antilliaan heeft een vestigingsvergunning nodig. Dat is belangrijk voor de kleinschalige gemeenschappen die deze eilanden zijn. Als in Europees Nederland de toevloed van buitenlanders al een probleem wordt gevonden, terwijl het gaat om een percentage van ongeveer vijf procent van de bevolking, dan zal men bij gemeenschappen die zoveel kwetsbaarder zijn, zeer voorzichtig moeten zijn. Nederland heeft zich jegens de Antillen prudent en vaak genereus opgesteld. De autonomie van de Nederlandse Antillen en Aruba is een belangrijk goed. Dat de Antillianen graag deel willen blijven uitmaken van het Koninkrijk is mede een gevolg van de terughoudendheid van Nederland in lokale zaken. Dat geldt ook voor Sint Maarten. De "bestuurlijke houdgreep' van minister Hirsch Ballin, dient daarom zijn tijdelijk karakter te behouden.