Ruud Wielart: "Het is verbijsterend hoe de belastbaarheid van atleten is teruggelopen'; Langste jeugd ter wereld, maar geen hoogspringers

HAARLEM, 27 FEBR. Nederland is een voetballand, een schaatsland. Misschien een hockeyland, een tennisland. Geen atletiekland.

En als dit land dan toch atleten voortbrengt - eenzaten, zonderlingen - dan zijn het meestal middellange afstandslopers. Kijk maar naar de Nederlandse afvaardigingen bij de grote toernooien: allemaal kilometervreters. Op een enkele sprinter na, een dolende verspringer, een bezeten discuswerper. Dat zijn pas de echte exoten.

Weinig kans dat zich een Nederlandse hoogspringer plaatst voor de mondiale titelstrijd half maart in Toronto. Datzelfde geldt tijdens de nationale indoorkampioenschappen in het Haagse Houtrust Sport dit weekeinde natuurlijk ook voor hinkstapspringers en polsstokhoogspringers. Maar op die onderdelen hebben Nederlandse atleten nu eenmaal nooit geëxcelleerd. Terwijl Nederland in hoogspringen toch kan bogen op een Ruud Wielart. Ooit behoorde de atleet uit Haarlem tot de wereldtop. Ooit won hij tijdens een Europees indoorkampioenschap een bronzen medaille. Maar dat is alweer zestien jaar geleden. Opvolgers, navolgers op hetzelfde niveau, die heeft hij nooit gehad.

Nog altijd blijft zijn nationaal record uit 1979 onaantastbaar. 2 meter 28, dat mag dan zestien centimeter minder zijn dan het wereldrecord dat de Cubaanse krachtspringer Javier Sotomayor tien jaar later vestigde, twee centimeter minder zou dit weekeinde al genoeg zijn voor een ticket Toronto. Maar ook 2,26 is nog te hoog gegrepen voor Neerlands grootste springtalent Sven Ootjers. Zijn Nederlands kampioenschap in de buitenlucht bekroonde hij vorige zomer met een hoogte van 2,20 meter, een nieuw nationaal jeugdrecord.

Bij de vrouwen moet het Nederlands record zelfs worden verbeterd om de limiet van 1,89 meter voor Canada te halen. Onwaarschijnlijk. Zeker omdat het huidige record van 1,88 meter al staat sinds 1975. Sindsdien is die hoogte alleen maar twee keer geëvenaard. En wat betekent internationaal nu eigenlijk 1,88? Dat is negentien centimeter minder dan Heike Henkels wereldrecord.

In het land waar de jeugd de langste van de wereld is, loopt genoeg talent rond, zegt Ruud Wielart, inmiddels 38 jaar. Waarom Nederland in het hoogspringen dan toch niet de aansluiting kan vinden bij de wereldtop? Wielart gaat er eens voor zitten op het bankje in het krachthonk waar hij zelf zo lang getraind heeft en waar hij nu de atleten uit het gewest Zuid-Holland en Zeeland coacht. Gehuld in een grijze regenjas die zijn lange gestalte nog rijziger doet lijken. En dan begint hij een soort verbale hinkstapsprong die via de onbetrouwbaarheid van Clinton en de hedendaagse geldzucht naar de onzin van de haptonomie zal leiden. Tussendoor schampt hij met enige regelmaat het gespreksonderwerp.

Volgens Wielart is er een heel legioen van factoren die allemaal in het nadeel van het hoogspringen werken. Ten eerste: hoogspringen is een van de moeilijkste atletiekdisciplines. Het enige onderdeel waarbij horizontale snelheid in verticale snelheid omgezet moet worden. Dat vergt een uitzonderlijke looptechniek, een grote subtiliteit van bewegen, veel kracht en springvermogen. Die combinatie van vaardigheden krijg je alleen door heel veel trainingsjaren. Daar hebben de jongeren eenvoudig het geduld niet meer voor. Bij het simpele recht-toe-recht-aan lopen zien ze veel sneller resultaat.

Hij zag het laatst op een trainingsavond van een stel atletiekverenigingen in Den Haag. De hordes stonden ongebruikt, de verspringbank werd alleen gebruikt om te rusten. Nee, hoogspringen daar deden ze niet aan. Volgens Wielart is de technische kennis bij het kader wel aanwezig. “Maar de affiniteit ontbreekt.”

De monoloog van de ex-hoogspringer is een verkapte maatschappijkritiek. Ouders leggen hun kinderen in de watten, waardoor ze niet leren om offers te brengen voor hun sport. En die rare gewoonte om kinderen meer dan één sport te laten doen, zorgt ervoor dat ze er uiteindelijk geen één goed beheersen. Ook fysiek slaat de verwekelijking toe. Verbijsterend hoe de belastbaarheid van de atleten teruggelopen is.

Tegelijkertijd is de blessuregevoeligheid van tieners sterk gestegen. Bij een onderdeel als hoogspringen merk je dat direct. “Want bij duursport komen de blessures sluimerend. Maar bij hoogspringen scheur je dan direct iets aan gort: hamstrings of achillespees kapot.”

Dat is één van de redenen dat geen enkele Nederlandse hoogspringer in de jaren tachtig de internationale top gehaald heeft, zegt Wielart. “Talenten zijn kapot gegaan.” Anderen die vlak voor een doorbraak zaten, hebben niet doorgezet. Want daar ontbreekt het in Nederland misschien nog wel het meeste aan: “aan de vereiste wilseigenschappen”, aan de bereidheid om heel hard te werken. Zeker als daar niet voldoende geldelijk gewin tegenover staat.

Gelukkig zijn er uitzonderingen. Zoals Sven Ootjers uit Warmenhuizen. “Een gedreven mannetje”, dat ook verder aan Wielarts profiel van "de echte hoogspringer' beantwoordt: een lengte van tussen de 1,88 en 2,02, een in verhouding laag gewicht en een tijd van onder de 11,2 seconde op de 100 meter. Alleen zijn belastbaarheid moet nog groeien. Maar als ook aan die voorwaarde voldaan is, kan hij misschien Wielarts vergeelde nationale record eindelijk verbeteren.

Intussen blijft de oude meester, houder van een sportzaak in Haarlem, zijn oude liefde trouw. Ondanks het sportieve laagwater en de tegenwind. “Michael Jordan is niet de hoogste springer van de wereld”, zegt hij. “Dat is Sotomayor. En Van Basten is niet de snelste sprinter van de wereld. Dat is Linford Christie. Een kwestie van bewegen: atletiek op zijn mooist.”