Ritzen op zoek naar "totaalbeleid' voor bijklussen

DEN HAAG, 27 FEBR. Onderwijsminister dr.ir. J.M.M. Ritzen wil geen uitvoerig gesprek over het thema "bijklussende' hoogleraren. De bewindsman, tot 1989 hoogleraar aan de economische faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), is alleen te verleiden tot een haastige ontmoeting in het nieuwe Kamer-gebouw; kort voordat de Raad van State deze week bepaalde dat Ritzen ten onrechte heeft ingestemd met het afzetten van het bestuur en de raad van de faculteit bedrijfskunde van de EUR.

Dit faculteitsbestuur, onder leiding van decaan prof.dr. G.G.J.M. Poeth, wilde een einde maken aan het "bijklussen' van hoogleraren en andere docenten bij de Rotterdam School of Management (RSM). Na drie series Kamervragen over de RSM beloofde Ritzen eind vorig jaar een landelijk onderzoek naar nevenwerkzaamheden aan universiteiten en schreef hij de Kamer op 20 januari de extra betalingen bij de RSM “onbevredigend” te vinden. Het betrof hier tenslotte “universitaire taken”. Hij had er “met klem” bij het universiteitsbestuur op aangedrongen dit niet meer te laten gebeuren.

Waarom heeft u hier met klem op aangedrongen?

“Universiteiten stellen zich gelukkig de afgelopen jaren breder maatschappelijk op. Er is sprake van een grotere mate van ondernemendheid en van gedachtenvormingen over nevenwerkzaamheden. Waar ik me altijd over verbaasd heb en tegen heb afgezet, ook toen ik in de universiteit werkte, was de gedachte van "vrijheid, blijheid'.”

Waarom drong u nu met klem aan?

“Ik heb als hoogleraar ook met regels voor nevenwerkzaamheden te maken gehad, en me er met genoegen en strikt aan gehouden. Die regels waren heel sterk gebaseerd op het ambtenarenreglement.”

Ritzen zet vervolgens uiteen dat het ambtenarenreglement “niet echt aansluit bij het functioneren binnen een universiteit” en dat “universiteiten regels moeten inrichten die daar wel bij aansluiten”.

Maar waarom heeft u nu bij het college van bestuur aangedrongen op voorkoming van de problemen bij de RSM?

“De wijze waarop de betalingsstromen liepen tussen de RSM en de individuen die daar les gaven paste niet meer bij de moderne tijd. Bij een tijd dus met iets striktere en betere regels die aansluiten bij goed personeelsbeleid en bij een ondernemende universiteit.”

Houdt de Erasmus Universiteit zich aan uw klemmende verzoek?

“Ik geloof het wel. Ik zit tussen "ja' en "weet niet precies' in. Ik heb twee verschillende signalen gekregen. Eén signaal was: "nou ja, we weten niet precies wat we daarmee moeten doen'. Een ander signaal was: "natuurlijk doen wij dat'. In die zin dat de middelen (honoraria van docenten, red.) die betaald worden door de RSM niet langer naar het individu maar naar de faculteit gaan. En wat de faculteit ermee doet vind ik precies ook het beleid van die faculteit.”

Was dit verschijnsel van privé-betalingen voor cursussen in werktijd, het vermeende "bijklussen', nieuw voor u?

“Absoluut niet. Ik heb het gezien als een probleem, ook in de tijd dat ik hoogleraar was. Ik heb daar ook veel over gesproken met collega Rinnooy Kan (oud-rector magnificus van de EUR, red.) en met Koppelaars, vroeger voorzitter van het college van bestuur. We hebben gezamenlijk ook vaker gesproken over het aanscherpen van de regels.”

Waarom bent u niet meteen opgetreden toen u minister werd?

Verrast: “Anderhalf, twee jaar geleden heb ik me afgevraagd: stel ik nu een commissie in die zich gaat bezighouden met nevenwerkzaamheden? Dat heb ik niet gedaan op grond van de verwachting en de wetenschap dat men binnen de universiteiten daar druk mee bezig was. Retrospectief kunt je nu zeggen: we hadden het wel moeten doen. Mijn aarzeling komt voort uit het feit dat we de universiteiten al ontstellend veel vragen op heel veel fronten, terwijl de budgettaire ontwikkelingen niet echt riant zijn. Ik ben buitengewoon aarzelend om daarin steeds verdere stappen te maken.”

Privé-betalingen voor identieke cursussen als die van de RSM zijn al jaren gebruikelijk bij opleidingen van onder meer de TU Twente, de universiteit voor bedrijfskunde Nijenrode en de Katholieke Universiteit Brabant. Maar ook bij de Stichting Interacademiale Opleiding Organisatiekunde en bestuurskunde (SIOO), waarin zeven universiteiten deelnemen. En bij het post-academisch onderwijs bedrijfs- en bestuurswetenschappen (PAO-BB), een inmiddels geprivatiseerd samenwerkingsverband van dertien universiteiten dat in 1984 door het ministerie zelf werd opgezet met een startsubsidie. Volgens C. de Niet, oud-collegelid van de VU Amsterdam en tevens (ex-)bestuursvoorzitter bij PAO-BB en SIOO, wordt in al die andere vergelijkbare programma's nog steeds privé betaald aan universitaire docenten. Vindt u dat ook "onbevredigend' en heeft u die ook "met klem' gevraagd om een andere werkwijze?

Ritzen peinst en zegt: “Als mensen aan universiteiten zich apart inzetten, mag dat best worden meegenomen in de arbeidsvoorwaarden inclusief de mogelijkheden om verdiensten te verwerven naast de gewone dagtaak.”

Maar wat vindt u nu van die andere opleidingen?

“Ik heb met alle universiteiten gesproken over het onderwerp nevenwerkzaamheden. Ik heb een commissie gevraagd dat in kaart te brengen en die commissie krijgt de volle steun van de universiteiten. Dan komt ook dat totaalbeeld aan de orde. Ik voel er niet zoveel voor om de zaken incidentsgewijs aan te pakken.”

Die commissie inventariseert alleen het bestaan en de toepassing van de regelingen voor nevenwerkzaamheden. Maar er is een hele markt van universitaire managementcursussen waar volgens betrokkenen zeker zestig miljoen gulden in omgaat. Gaat u nu de besturen van die andere opleidingen ook vragen een einde te maken aan privé-betalingen?

“Ik heb dat nog niet aan ze gevraagd omdat ik nu zoek naar een totaalbeleid.”

Is dat een consequente opstelling?

“Over enige tijd is het ook geregeld voor de anderen. Alleen, ik wil dat niet voor morgen afregelen. Ik vraag aan de universiteiten zelf om dat te regelen. Ik heb het niet over verbieden. Mijn opvatting is dat extra verdiensten aan de orde kunnen zijn. Maar dat is dan te beoordelen door de werkgever, en niet door de werknemer zelf. Goed, misschien is dat dan het meest duidelijke en heldere antwoord.”

Volgens uw Rotterdamse oud-collega en hoogleraar Bomhoff (die 1250 gulden per uur ontvangt voor cursussen op vrijdag, red.) wist u destijds van de privé-betalingen bij Rochester, een vergelijkbare postdoctorale managementopleiding verbonden aan de economische faculteit.

“Hebt u mij daar eerder iets anders over horen zeggen? Wat er nu in Rotterdam boven water is gekomen, beschouw ik als...”

Niets nieuws, want bij Rochester gebeurde hetzelfde.

“Ik vind het jammer dat het wat eenzijdig de nadruk krijgt van: is dit wel zoals het hoort?”

Iemand komt het vertrek binnen en Ritzen breekt abrupt het gesprek af. De minister stelt voor “eventueel over drie of vier weken” verder te praten als “wat verdere stappen zijn gezet ten aanzien van de instelling van de commissie”. Enkele dagen later, afgelopen woensdag, nog voor publikatie van dit gesprek, blijkt de commissie al geïnstalleerd. Een verzoek, met een bijgevoegde vragenlijst, tot een tweede gesprek heeft de minister dan inmiddels afgewezen.