Over de grens in Epirus; De volksverhuizingen tussen Albanië en Griekenland

Elke dag komen honderden Albanezen Griekenland binnen, legaal en illegaal, om te werken of te stelen. Met busladingen tegelijk worden ze ook weer uitgezet, maar 's nachts is het bergachtige grensgebied moeilijk te bewaken. Terwijl de dorpen in Noord-Griekenland zich beginnen te bewapenen, raken de van oorsprong Grieks-talige dorpen in Zuid-Albanië ontvolkt. De bisschop heeft een oplossing: hereniging van Noord- en Zuid-Epirus.

Melissopetra was een gehucht in de noordelijke uithoek van Griekenland waar nooit iets gebeurde, maar dat was vroeger. Nu trekken de weinige bezittingen van de 98 keuterboeren mensen aan die nog veel minder hebben en die na een jarenlang isolement ineens op loopafstand blijken te wonen: de Albanezen.

""In de nacht, als je in bed ligt, hoor je ze komen'', zegt Stergiou Evagelos, die even beneden het dorp zijn lapje grond bewerkt. ""Eerst gooien ze stenen naar je huis, dan wachten ze even en als het licht niet aangaat komen ze naar binnen.'' Evagelos slaapt tegenwoordig ""als een haas'', altijd klaar om wakker te schieten. Laatst gebeurde dat niet op tijd en toen stonden er ineens vijf mannen in zijn kamer. Hij greep het jachtgeweer, dat sinds een paar maanden naast zijn bed staat, en loste een schot in de lucht. Wèg waren ze, en om te laten zien dat hij op zijn oude dag nog altijd niet voor een kleintje vervaard is, zet Evagelos zijn schoffel aan zijn schouder, richt en haalt een denkbeeldige trekker over.

De Albanese exodus over zee naar Italië was vorig jaar wereldwijd op de televisie, maar nadat Rome de vluchtelingen met harde hand had teruggestuurd en de kust beter ging bewaken, heeft de uittocht zich in stilte verplaatst. Honderddertigduizend Albanezen verblijven op dit moment illegaal in Griekenland, zo maakte het ministerie van openbare orde vorige week in Athene bekend. Volgens Griekse cijfers zijn zij verantwoordelijk voor meer dan een verdubbeling van het aantal diefstallen en overvallen. Op Grieks grondgebied werden in 1992 door Albanezen twintig moorden gepleegd. De politie heeft vorig jaar naar eigen zeggen 380.000 Albanezen uitgewezen en de eerste maand van dit jaar nog eens 16.000, maar het helpt allemaal weinig: ze blijven hardnekkig terugkomen. De invasie van de hongerigen wekt ergernis in Athene en angst in Epirus, de provincie aan de grens.

Dat blijkt als Stergiou Evagelos in de kruidenierswinkel-annex-taverne van Melissopetra zijn verhaal voortzet. Hijzelf heeft dus een geweer. Een buurman, wiens ezel is gestolen, heeft tralies voor zijn raam aangebracht. Een vrouw, bij wie al drie keer werd ingebroken, doet geen oog meer dicht. En als er in het donker brandhout moet worden gehaald, doen ze dat alleen nog met z'n tweeën. Verjaardagen worden niet meer 's avonds gevierd, dat zou de aandacht maar trekken. Want wie moet hen beschermen? Alle weerbare mannen werken en wonen in Ioannina, de provinciehoofdstad. De jongste bewoner hier bij de achterblijvers is onlangs 55 geworden.

De politie patrouilleert in jeeps langs de grenslijn, maar die is honderdzeventig kilometer lang en onoverzichtelijk. De bergen zijn hoog en ruig. Vooral in het voorjaar en de zomer zijn ze 's nachts vrij gemakkelijk te voet over te steken zonder dat iemand het ziet. In de winter is dat moeilijker: de laatste weken pikken de mannen van Christou Vasilis regelmatig gewonden op, arm- en beenbreuken vooral.

Arme drommels

Vasilis is commandant van de politie in het district Konitsa, waaronder ook Melissopetra valt. Dertig tot honderd Albanezen per dag worden er gevangen. Ze opereren nogal onvoorzichtig. ""Soms pakken we ze terwijl ze op een akker van de grond zitten te eten, want zo hongerig zijn ze. Soms dringen ze overdag een huis binnen, alleen om water te drinken'', vertelt hij. Weerstand bieden doen de Albanezen niet. ""Het zijn natuurlijk ook geen echte misdadigers, maar arme drommels die willen overleven. Als er geen werk voor ze is, kunnen ze weinig anders doen dan stelen.''

De commandant schat dat het niettemin twee op de drie immigranten lukt langere tijd uit handen van de politie te blijven, gewoon omdat ze met zovelen tegelijk komen. De gelukkigen slagen erin dwars door Epirus naar het zuiden te reizen, waar ze als dagloner terecht kunnen bij restaurants, op boerderijen en in de havens. Hoe ze aan proviand komen merkt Vasilis aan de stijging van het aantal aangiften. In het 5.000 inwoners tellende stadje Konitsa alleen had hij vorig jaar dertig inbraken, twee jaar geleden waren dat er nog nul.

Als de jeep hobbelend over de onverharde weg een heuveltje neemt, wordt de volle omvang van Vasilis' taak duidelijk. Voor hem ligt een ongerept natuurlandschap en dat landschap is Albanië. Er is geen grens te zien, alleen een riviertje, de Vjöse, waar nog best wat water bij zou kunnen. Vroeger, in de tijd van het communistische bewind van Enver Hoxha, ving de Griekse politieman nog wel eens een glimp op van zijn Albanese collega's aan de overkant.

Vasilis wijst de rij bomen aan waarlangs destijds prikkeldraad was gespannen. Tegenwoordig is er aan de andere kant van het water geen uniform meer te zien. Wel wat anders trouwens: plotseling beweegt er iets in de verte. Daar, bij de oever, zijn drie, vier mensen bezig twee ezeltjes van hun bepakking te ontdoen. Vasilis drukt op de claxon. Een rode trui duikt weg in het struikgewas, daarna is er geen beweging meer. De commandant lacht en het wordt tijd om terug te keren naar het bureau. Lijdzaam zitten daar al zo'n twintig magere mannetjes in sjofele kledij te wachten op transport terug naar Albanië. Vasilis deelt hun mee dat de bus van bureau Ioannina eraan komt. Dat wordt allemaal staan.

Roulatie-systeem

Onderminister van openbare orde Kostas Sapsalis kijkt er wat minder ontspannen tegenaan dan commandant Vasilis. De Griekse regering beschikt over informatie dat Tirana de uittocht stimuleert, onthult hij. De Albanezen bewaken hun grenzen nauwelijks en knijpen een oogje toe als er weer een colonne emigranten op pad gaat. Er is in Albanië toch niet genoeg werk voor iedereen en de vluchtelingen brengen goed geld mee terug.

Dit kan volgens Sapsalis niet langer zo doorgaan. De Griekse regering heeft de regering in Tirana gevraagd de uittocht in te dammen. De Grieken zullen dan als tegenprestatie laten weten wanneer er extra arbeiders nodig zijn, bijvoorbeeld om de oogst binnen te halen. Tirana zou een roulatie-systeem moeten opzetten, zodat elke Albanees die wat extra geld wil verdienen op een ordelijke manier aan de beurt komt. De Albanezen die dan legaal worden toegelaten, zouden tenminste op een menselijke manier in de Griekse samenleving kunnen worden opgenomen, betoogt hij.

Premier Mitsotakis is vorig jaar naar president Alia gereisd, het ministerie van openbare orde heeft twee keer collega's uit Tirana ontvangen, maar effect heeft het allemaal nog niet. Intussen dreigen ongeschoolde Griekse arbeiders door de invasie van goedkope zwartwerkers hun baan te verliezen en blijft de criminaliteit stijgen. ""Als Albanië blijft weigeren mee te werken'', zegt Sapsalis dreigend, ""moet ik erop wijzen dat de Griekse staat veel beter georganiseerd en sterker is dan de Albanese''. Hij maakt niet duidelijk wat hij hier precies mee bedoelt, behalve dat leger en politie, als het echt nodig mocht zijn, de grens hermetisch kunnen afsluiten. Verder herinnert de onderminister eraan dat Griekenland op grote schaal hulp verleent aan Albanië en dat ook het grootste deel van de EG-voedselhulp aan Albanië via Griekenland loopt.

Bisschop

Het afgelopen jaar heeft de illegale volksverhuizing de verhouding tussen beide Balkan-landen drastisch verslechterd. En verbetering is ook al niet te verwachten van het hernieuwde zendingswerk van Sevastianos, de bisschop van Konitsa. Deze geestelijke voert al 25 jaar onvermoeibaar campagne voor de rechten van de Grieks-orthodoxe minderheid in Zuid-Albanië. Of Noord-Epirus zoals hijzelf zegt, want dit landsdeel is in 1913, na de tweede Balkanoorlog over de verdeling van de resten van het Ottomaanse rijk, afgesplitst van het Griekse Epirus en bij de nieuwe staat Albanië gevoegd. In de Eerste en Tweede Wereldoorlog hebben de Grieken tevergeefs geprobeerd Noord-Epirus terug te krijgen en pas in 1971 heeft Athene formeel zijn aanspraken opgegeven.

Er wonen nog altijd Grieks-orthodoxen in Albanië, 60.000 volgens Tirana, 400.000 volgens de bisschop. Het wordt hun ook na het verdwijnen van het atheïstische communisme nog steeds moeilijk gemaakt om eigen scholen te openen en eigen kerkdiensten te houden. Reden voor de bisschop om met hernieuwde kracht voor de bevrijding van zijn gelovigen te pleiten.

Sevastianos geniet in Athene niet veel steun en Tirana heeft hem zelfs de toegang ontzegd. Maar de bisschop is vorig jaar een eigen radiostation begonnen; dat zendt over heel Epirus religieuze, historische en didactische programma's uit. Verder heeft hij zijn Vereniging van Noord-Epiroten, die brochures en boeken publiceert over de kwestie. "De Griekse identiteit van Noord-Epirus', "Achter het IJzeren Gordijn van Albanië' en "Noord-Epirus gekruisigd' zijn enkele van de verkrijgbare titels. In zijn residentie hoog op de berghelling waartegen Konitsa ligt, ontvangt de bisschop gastvrij en spreekt hij vrijuit.

""Het is verkeerd te geloven, zoals u in Europa doet, dat het huidige bewind in Tirana democratisch is. Premier Berisha zet in Noord-Epirus het beleid van Hoxha voort. De Grieks-orthodoxen worden nog steeds hun rechten ontzegd.'' Niet alleen mogen zij geen uiting geven aan hun eigen cultuur, ook krijgen de Grieks-orthodoxen geen politiebescherming tegen mysterieuze dievenbendes die de laatste maanden hun dorpen onveilig maken. Wat dit betreft vertoont het betoog van de bisschop raakvlakken met dat van de onderminister: Tirana zou een bewuste politiek bedrijven om de Grieks-Albanezen het land uit te krijgen. ""U moet dit zien als een poging de Griekse minderheid te elimineren.''

Volgens Sevastianos is er maar één oplossing: Noord-Epirus moet zo snel mogelijk autonomie krijgen. Daaronder verstaat de geestelijke een eigen regering, een eigen politiemacht, eigen scholen, eigen kerken en het recht op zelfbeschikking - ook als dat laatste zou neerkomen op een aansluiting bij Griekenland. En hij roept bij deze de Europese Gemeenschap op ""in te grijpen om de Grieken in Albanië te redden''. Waarna de bisschop terugzinkt in zijn stoel en peinzend uitkijkt over de besneeuwde bergtoppen waarachter zijn kudde lijdt.

Madonna

En lijden doen we, vertellen de mannen in het Albanese dorpje Dervitsani, zo'n twintig kilometer over de grens. Ze zitten aan een middagmaal van brood, worst en paprika. De zwart-wit-televisie in het eetlokaal staat op volle sterkte. Te zien is een modeshow op Superchannel, met creaties van Karl Lagerfeld, Yves Saint Laurent en Gucci. En boven de muziek van Madonna uit is het nog net te horen: iedereen hier spreekt Grieks. Eén man leest een krant en ook die is in het Grieks.

Een van de aanwezigen is Thodori Bezhani, leider van de inmiddels verboden Griekse beweging Omonia. Hij begint het gesprek met een oproep om hulp. ""Als de Europese Gemeenschap en de Verenigde Naties niet snel tussenbeide komen is het binnenkort met ons gedaan.'' Als gevolg van intimidaties door de politie en door de materiële verlokkingen van gene zijde zijn het afgelopen jaar al bijna zeshonderd jongeren van het voorheen 2.500 zielen tellende plaatsje naar Griekenland vertrokken. Vervolgens vertelt Bezhani over een jongen die gisteren nog door de politie in elkaar is geslagen alleen omdat hij hielp bij het opzetten van een kerkdienst, over dieven die 's nachts komen en alles meenemen tot aan de vensters toe terwijl de politie daar niets tegen doet, over agenten die je toebijten dat "de democratie er voor òns en niet voor jullie is gekomen' en over de leeggekomen huizen die worden gevuld met families uit het noorden van Albanië. De verhalen zijn niet te controleren, al is de verwonding aan het gezicht van de jongen die naar binnen wordt geroepen echt en komt de burgemeester zelf bevestigen dat hij onlangs een burgerwacht heeft opgezet.

Hoewel dit treurige dorp weinig Griekse trekken vertoont - de huizen zijn vervallen, de straten onverhard, de kleren armoedig en de bomen tot brandhout gehakt - is Dervitsani volgens Bezhani ""duizend procent Grieks''. ""Wij zijn Griekssprekende christenen in een Albanees sprekend mohammedaans land.'' Ook hij ziet als enige oplossing autonomie of "hereniging' met Griekenland. Buiten wijst hij op de straatnaambordjes: de taverne ligt aan het Mitsotakis-plein, de modderpoel om de hoek is de Samaras-straat en behalve deze twee Griekse politici is ook ""de grote vader'' zelf vernoemd: het voormalige paleis van cultuur heet nu het Sevastianos-huis. Er wordt gebeden dat de bisschop van Konitsa het ooit zelf mag komen bekijken.

Stencil

De dag eindigt bij de grenspost Kakavia, de officiële grensovergang tussen Griekenland en Albanië. Dienstplichtig soldaat Nikos Papulias staat met zijn handen op de rug tevreden te bekijken hoe orderlijk alles verloopt. Ook vandaag kwamen er weer een kleine vierhonderd Albanezen keurig met paspoort en visum in de hand het land binnen. Het laatste groepje staat nog bij de halte op de laatste bus naar Ioannina te wachten. Meer verkeer is er de andere kant op.

Tussen zes en zeven uur, terwijl de schemering invalt, komen er vijf donkerblauwe politiebussen illegale Albanezen lossen. Bij het verlaten van de bus krijgen ze een stencil uitgereikt waarop staat dat ze zich de volgende keer een hoop moeilijkheden kunnen besparen door zich eerst aan te melden bij het consulaat in Gjirokaster. De meesten zullen deze raad meteen vergeten, zegt soldaat Papulias, want het aanvragen van een visum is ze te veel rompslomp. Het is eenvoudiger via de bergen te gaan. Met het witte papier nog in de hand, de meesten bovendien met een gevulde tas of plunjezak, lopen de mannen door het openzwaaiende hek het stukje niemandsland over naar de rode slagboom op Albanees grondgebied. Daar moeten ze hun naam laten noteren en dan mogen ze erdoor.

Even later, op de weg van de grens naar Ioannina, doemt in het schijnsel van de koplampen de rug van een jogger op. Maar hij heeft geen sportkleren aan en hij draagt in de rechterhand een tasje. Zo plotseling als hij in de lampen verscheen, zo schielijk is hij in de donkere bosjes verdwenen.