LIJDZAAM WACHTTE AUGSBURG OP HET ONHEIL

Als wollt die Welt schier brechen. Eine Stadt im Zeitalter des Dreißigjährigen Krieges door Bernd Roeck 386 blz., geïll., C. H. Beck 1992, f 76,- ISBN 3 406 35500 5

De ellende voor de christelijke wereld begon pas goed in de zestiende eeuw. Met de komst van de reformatie moesten de gelovigen plots kiezen uit twee Waarheden. Europa heeft het geweten. Spanje en de Nederlanden hebben er maar liefst tachtig jaar oorlog over gevoerd, de rest van het continent nog altijd dertig jaar. De religieuze ondertoon van deze oorlogen verhoogde de kans op vrede bepaald niet: hoe kun je je vijand op het slagveld vergeven, als hij ook de vijand van jouw god is? Natuurlijk waren dit geen zuivere godsdienstoorlogen, maar ging het ook en vooral om de voortzetting van machtspolitiek met andere middelen.

De Dertigjarige Oorlog was een partij catch-as-catch-can die van 1618 tot 1648 plaatsvond op Duits grondgebied. Deelnemers waren zo ongeveer alle belangrijke Europese vorstendommen, verdeeld in reformatorische en contrareformatorische kampen, al nam men het niet zo nauw met de gezindte van zijn bondgenoten. Zo sloot kardinaal Richelieu zich, met het belang van katholiek Frankrijk voor ogen, graag aan bij de protestantse legers om de macht van de katholieke Habsburgers te breken, zoals zijn voorgangers met plezier de calvinistische Nederlanders terzijde hadden gestaan tegen het katholieke Spanje.

Toch is het te modern-seculier gedacht om het geloof af te doen als een voorwendsel voor deze oorlog. De macht die de diepreligieuze katholiek en kampioen van de contrareformatie Ferdinand II ten deel was gevallen in het eerste deel van de Dertigjarige Oorlog, dat kon naar de opvatting van zijn tijdgenoten toch niet anders dan een godsbeschikking zijn? Was de keizer dan niet verplicht zijn macht tot heil van het ware geloof aan te wenden? Ook al zette dat de in 1629 moeizaam bereikte vrede op het spel.

Dus sjokten de eindeloze legers huurlingen in godsnaam spoedig weer door Europa, een spoor van ellende achter zich latend. Uitgaande van het principe dat de soldaten door de oorlog moesten worden gevoed, werden proviand, uitrusting en zelfs soldij geperst uit het oorlogsgebied. En in de vroegmoderne tijd gold een simpele wet: zonder soldij geen leger, zoals Willem van Oranje meer dan eens tot zijn verdriet heeft moeten ervaren. De gevolgen voor land en bevolking laten zich raden.

Een leger van 30.000 man (niet ongewoon tijdens de Dertigjarige Oorlog) had volgens de Engelse historicus Geoffrey Parker zo'n 30.000 kilo brood, 225 ossen en 90.000 liter bier per dag nodig. De paarden verbruikten per honderd kilometer evenveel haver als ze konden trekken. En het leger hield niet op bij soldaten en paarden. Een lange staart van vrouwen, kinderen, hoeren, lakeien en bedienden volgde het op de voet. En ook zij moesten worden gevoed op het slagveld.

VROUWENKLEREN

Deze optochten van mensen, dieren, huifkarren en geschut hebben dertig jaar lang hun spoor door Midden-Europa getrokken. Eerst strijdend voor het geloof, of voor de politieke aspiraties van hun vorst, maar na jaren van oorlog louter nog vechtend om het vechten zelf. Zweden, Fransen, Nederlanders, Zwitsers, Spanjaarden en Italianen die hun soldij ten slotte verdienden bij de partij tegen wie ze ooit begonnen waren te vechten. Ze waren professionals op het slagveld geworden, al zagen ze er nog uit als amateurs. Een Spaans-Italiaans regiment trok bij gebrek aan uniformen in vrouwenkleren rond.

Honger en pest, eeuwige metgezellen van de oorlog, maakten meestal meer slachtoffers dan het directe oorlogsgeweld. Parker schrijft niet voor niks dat het gedurende deze oorlogen vaak veiliger was zich in een leger te bevinden dan daarbuiten. Maar die veiligheid was zeer relatief. Bij grote slagen, zoals die bij Nördlingen in 1634, zouden 12.000 van de 25.000 protestantse soldaten zijn omgekomen. Gevechten waren man tegen man, vuurwapens hadden de afstand tussen soldaten nog niet veel groter gemaakt.

Duitsland was rond 1600 het ""gevaarlijkste gevarengebied' in Europa geworden, schrijft de Duitse historicus Bernd Roeck in zijn vorig jaar verschenen Als wollt die Welt schier brechen. Immers: ""hier scheidden de religies zich en botsten de invloedsferen van de grootmachten op elkaar.' Duitsland was dus bij uitstek de plek waar de Europese grootmachten, vooral de Habsburgers en de Franse koningen maar ook Denemarken, Zweden, Hongarije, Engeland, en de Republiek der Verenigde Nederlanden, hun belangen konden verdedigen met gebruikmaking van de regionale of zelfs lokale godsdiensttegenstellingen.

Geen strijd op Duitse bodem heeft meer slachtoffers geëist dan de Dertigjarige Oorlog. Roeck beschrijft in zijn boek de strijd vanuit het perspectief van de rijksstad Augsburg. Die stad droeg de oorlog als het ware in zich, met zijn gemengde bevolking van een kwart katholieken op driekwart protestanten, gelegen in het katholieke Beieren.

EENVOUDIGE SLAGER

""Laten we een wandeling maken door dit Augsburg', nodigt Roeck de lezer uit. Zo'n veertigduizend inwoners telde de stad toen de strijd nog moest beginnen. Zeer rijk, beroemd om haar edelsmeden en haar textielindustrie (tweeënhalf miljoen doeken per jaar) en trots op haar bijnaam miraculum Germaniae, "wonder van Duitsland'. Roeck voert ons langs de nieuwe bouwwerken van de stad: de Augustusfontein, de Mercuriusfontein, het "tuighuis' en het nieuwe raadhuis. Hij wandelt door de Fuggerei, de wijk waar nette en niet-bedelende katholieke armen mochten wonen op kosten van de steenrijke, katholieke bankiersfamilie Fugger. Roeck brengt zijn lezer in het huis van een eenvoudige slager, waar het schemer door de met perkament afgedekte vensters doordringt tot de eikenhouten tafel, het arsenaal aan pannen, blikken bekers, een azijnkruik en een vetpot.

Maar bovenal wurmt Roeck zich binnen in de gedachtenwereld van de vroegmoderne Augsburgers. Als wollt die Welt schier brechen wil in de eerste plaats een mentaliteitsgeschiedenis zijn van stedelingen ten tijde van een catastrofale oorlog in de zeventiende eeuw. ""Hoe ervoeren deze "vreemden' de catastrofe van de Dertigjarige Oorlog', vraagt Roeck zich af. Want vreemden zijn het: ""Evenzeer als ze andere kleren droegen, anders aten en dronken, omgeven waren door andere geluiden en geuren dan wij, zo weken ook hun gevoelens en gedragingen af van de onze.'

De tijd waarin het menu voornamelijk uit brood bestond en kool, rapen en erwten, de tijd dat straten werden geplaveid omdat men meende dat ziekmakende dampen anders zouden opstijgen uit de grond, dat een olifant op Europese tournee ging, dat de elfjarige Maria Braun haar moeder aangaf als heks, waarop deze werd onthoofd - dat is de tijd waarin de Augsburger van Roeck leefde.

Uit een indrukwekkende hoeveelheid schriftelijke bronnen wordt in dit boek het mozaïek van Augsburg in de vroegmoderne tijd uitgelegd. Overal vallen kleine juweeltjes te bewonderen. Uit doopboeken maakt Roeck bijvoorbeeld op dat de meeste kinderen in een van de oudste delen van de stad in de maanden november, juni, oktober en juli werden geboren. Daaruit blijkt dat de stadsbewoners zich losmaakten van eeuwenoude agrarische gewoonten. Op het platteland immers kwamen de meeste geboorten in de eerste maanden van het jaar: minder gevaar voor infecties was er dan, en minder produktiviteitsverlies in de drukke oogstmaanden van de zomer. Het aardige is dat die gewoonte nog wel is terug te vinden in de delen van de stad waar zich veel nieuwkomers vestigden.

ONGELUK EN LEED

Ondanks dat ene heksenproces was Augsburg in de Europese turbulenties van de vroege zeventiende eeuw ""een enclave van relatieve rationaliteit', zoals Roeck schrijft. De gemeenschap had voor de verwerking van de alledaagse problemen, voor ongeluk en leed, voor dood en leven, een verscheidenheid aan regels en rituelen - veel meer dan het platteland eromheen.

De Dood was een vaste kostganger in het gezin. Kraamdood, kindersterfte, ziekte, honger, oorlog waren doodsoorzaken van alledag. De snelle dood - zo uit het leven weggerukt te worden - werd gevreesd. Te sterven voor men tijd had om met god in het reine te komen. De zelfmoordenaar was des duivels. Die werd niet begraven maar in een vat geslagen en in de Lech gegooid.

De Augsburgers leefden in een kleine wereld, in strakke regelmaat en met weinig nieuwe indrukken. Daardoor scheen buitenwereld vol van wonderen: een bloedrode zonsondergang of een eigenaardige wolkenmassa werden net zo uitvoerig in kronieken beschreven als moorden of strooptochten. Magie en hekserij waren vaste ingrediënten van het bestaan, geïncorporeerd in een geloof gebaseerd op schuld en boete.

De bestaande orde was van god gegeven, onwankelbaar en onbetwijfeld. Verschijnselen, zowel goede als kwalijke, werden ingepast in een zinvol wereldbeeld. Het maakte de mensen lijdzamer: terreur, honger, ziekten werden beschouwd als onontkoombare en zinvolle onderdelen van het leven. ""Het leven was weinig waard, gemeten aan de eeuwigheid,' schrijft Roeck. Geen wonder dat men zo stoïcijns de pest en honger onderging, denkt hij, en zich tegelijk fanatiek kon bezighouden met zaken die de eeuwigheid betroffen.

ROEDE

Zo lag Augsburg, rijk en kalm, op de oorlog te wachten. In 1618 stond een komeet aan de hemel ""met een lange staart, als een roede', zoals een kroniekschrijver zei. Een voorteken van de Wrake Gods, begrepen velen met hem. De oorlog was begonnen in het oosten van het Duitse land, het zou een kwestie van tijd zijn voor ze Augsburg bereikte. Roeck vergelijkt de indruk die de komeet toentertijd moet hebben gemaakt met "onze' teleurstelling over de komeet van Halley, dat bleke lichtstreepje op een nacht in 1985: ""De nacht van de zeventiende eeuw kende haast geen licht. Hooguit van de maan of van een vuur. Voor de meeste huishoudens waren zelfs kaarsen te duur.' Het hemelteken moet hebben gebrand op het netvlies.

Onder deze dreiging mobiliseerde Augsburg zich. De oorlog bleef echter weg en voorlopig arriveerden alleen zijn gezellen in de stad: inflatie, hongersnood en de pest. Op het hoogtepunt van de epidemie wisten de Augsburger doodgravers niet meer waar ze de slachtoffers moesten stoppen. Waar ze hun spa in de grond zetten, kwamen de halfverrotte lijken tevoorschijn.

Toch haalde de stad de wapenstilstand van 1629 zonder actief in de strijd te zijn betrokken. Bij deze door zijn legers afgedwongen vrede bedong keizer Ferdinand onder meer dat Augsburg katholiek zou worden. Protestantse ambtenaren moesten zich bekeren of aftreden. Allen volgden de stem van hun geweten en namen ontslag. Toch bleven de inwoners tamelijk rustig en accepteerden ook deze "paapse' orde kennelijk weer als van god gegeven. Alleen toen de inmiddels katholiek geworden raad verordonneerde dat de weeskinderen van de stad onder militair escorte naar de mis moesten worden gevoerd om kleine katholieken van hen te maken, kwam het volk even in opstand.

De protestanten zochten hun heil in innerlijke emigratie. Ze zongen psalmteksten met een toepasselijke betekenis (""Aan de stromen van Babylon zaten wij schreiend bij de herinnering aan Sion'), die dan ook prompt verboden werden. Zingen mocht alleen als het om ""lateinische cantiones et textus catholicos' ging, aldus een verordening.

Verder speurden de onderdrukte gelovigen de hemel af naar hoopvolle voortekenen. Zo zagen ze drie engelen in de lucht die protestantse liederen zongen. En in 1630 regende het zwavel. Dat was natuurlijk al veelbelovend, maar tastbaarder werd de hoop toen de Zweedse koning Gustaaf Adolf het strijdperk betrad als kampioen van het protestantse geloof. Onweerstaanbaar rukte hij op door Duitsland en in 1632 dwong hij de katholieke troepen in Augsburg tot de aftocht.

ZWARTE RUITERS

"Gott mit uns!' heet Roecks hoofdstuk waarin de Zweedse koning Augsburg "bevrijdt'. ""Zwarte ruiters trokken in de diepe duisternis de stad uit, elk met een flakkerende waskaars op zijn helm', zo beschrijft een kroniek de uittocht van de katholieke soldaten. Daarop reed Gustaaf Adolf de stad binnen en ging - als verdediger van het ware geloof - regelrecht naar de Sint Annakerk waar hij de preek beluisterde en met de overige kerkgangers het "Te Deum Laudamus' zong. Volgens Roeck was de koning de enige charismatische figuur van de Dertigjarige Oorlog. In de jaren na 1632 duiken dan ook plots de namen Gustav, Adolph of Gustaphus Adolphus op in de geboortenregisters van Augsburg.

Na de dood van de Zweedse koning, datzelfde jaar nog, nam de oorlog in hevigheid toe. Uit kronieken tekent Roeck de meest onwaarschijnlijke wreedheden op: vrouwen wier borsten werden afgesneden, kinderen die zijn opgehangen, mensen die in hun eigen oven werden verbrand. Augsburg werd getroffen door een langdurige hongersnood en van de 40.000 inwoners die de stad in in 1618 telde, bleven er twintig jaar slechts 16.500 over. Van de meer dan tweeduizend wevers, ooit de grootste beroepsgroep in de stad, waren in 1646 nog slechts 385 in leven.

In dat jaar stond opnieuw een protestants leger voor de stad om haar te bevrijden uit de katholieke klauwen. Hoe uitgeput de bevolking inmiddels was geworden, blijkt uit het feit dat zelfs de protestanten zich aanmelden voor de burgerwacht om hun stad te verdedigen tegen de vijand. De vijand was de oorlog geworden, niet meer deze of gene denominatie of nationaliteit. Augsburg was, zo concludeert Roeck, een in haar sociale en economische structuur in ontbinding geraakte stad geworden.

Als wollt die Welt schier brechen is een boek vol historische sensatie - alleen is Bernd Roeck geen sensationeel schrijver. O zeker, hij heeft plezier in de historische details en ziet ook heus dat achter een stadsrekening een heel leven schuilgaat waaraan de naakte cijfers geen recht doen. Hij mist evenwel de Schwung van schrijvers als Robert Darnton of Jacques LeGoff, die niet zouden schrijven ""laten we een wandeling door deze stad maken' - zij zouden gewoon op weg gaan.